Categoriearchief: Politiek

ZEMBLA over Haagse bijbaantjes

Geachte mevrouw Blaas,

Met belangstelling heb ik naar de aflevering van Zembla van 12 november 2020, getiteld ‘Haagse bijbaantjes’, gekeken, over tweede kamerleden die hun nevenactiviteiten niet of niet goed hebben laten vastleggen in de register. Mijn dank ook voor de lijst van bevindingen . Het is leuk te weten dat een kamerlid van GroenLinks aan huisjesmelken doet, de heer Ojik niet bekend is met de verplichting tot het deponeren van jaarrekeningen, mevrouw Sazias een greep uit haar eigen pensioenvoorziening heeft moeten doen, en Thierry Bidet niet aan de griffie heeft gemeld dat zijn politieke nevenactiviteit enkel bedoeld is om de revenuen van zijn B.V. op te krikken.

Heel goed dat door uw uitzending Kamerleden ermee zijn geconfronteerd dat zij zich niet aan de door henzelf opgestelde regels houden. Waarbij zij opgemerkt dat naarmate hun nalatigheid vergeeflijk is, de druk op hen om terug te treden zwaarder wordt. Immers, als een Kamerlid bewust de regels ontdoken heeft, dan kan dat Kamerlid althans niet de vorm van intelligentie ontzegd worden die in de volksmond wordt aangemerkt met ‘sluwheid’.  Kamerleden die uit onwetendheid of uit domheid de toch niet echt complexe ‘register-regel’ niet hebben gevolgd, horen niet thuis in een orgaan waar soms toch heus belangwekkende beslissingen over complexe aangelegenheden moeten worden genomen. De huisjesmelkster van GroenLinks mag wat mij betreft blijven, maar de heer Ojik zou de eer aan zichzelf moeten houden.

Helaas, gesteld dat alle Kamerleden zich keurig gaan houden aan de al dan niet aangescherpte ‘register-regel’, het zou weinig kunnen bijdragen aan het integriteitsgehalte van de volksvertegenwoordigers. Een nevenfunctie geeft – gemeld of niet gemeld – in de meeste gevallen niet meer dan een schijn van belangenverstrengeling. Integriteitsonderzoekers slaan daarop aan, op die schijn, en voor integriteitsonderzoekers is het niet melden van een nevenactiviteit die de schijn van belangenverstrengeling kan wekken, dan meteen een zeer ernstig probleem. Want een Kamerlid dat een activiteit niet meldt die de schijn van belangenverstrengeling kan wekken, wekt de schijn dat er meer aan de hand is dan enkel schijn.

Protocollen voor nevenfuncties van Tweede Kamerleden – hoe terecht ook – leiden de aandacht af van het feit dat nagenoeg alle Tweede Kamerleden directer het algemeen belang wurgen met hun eigen belang.

Neem de oeverloze en bijna steeds niet de wal rakende discussie over de hypotheekrenteaftrek. Zeer veel Tweede Kamerleden hebben een eigen woning en alle Tweede Kamerleden zitten in de hoge belastingschaal. Ook wie er niet voor heeft doorgeleerd, kan inzien dat de hypotheekrenteaftrek ertoe leidt dat inflatie wordt opgeslagen in de prijzen van koopwoningen terwijl de huren in de sociale sector bovenmatig stijgen. De discussie over de hypotheekrenteaftrek wordt echter steevast afgebroken met de voor de meeste Kamerleden niet belangenloze constatering dat het afschaffen van die eigendomssubsidie de prijzen van koopwoningen zou doen kelderen. Het is daardoor nog steeds de enige sector in de economie waarvoor prijsstijgingen door de ganse maatschappij – minus degenen die in de sociale huurwoning zitten – als positief worden ervaren.

Daarentegen zitten er in de Tweede Kamer – als we al die pensioen- en lezingenBV-tjes buiten beschouwing laten – weinig mensen die ooit ondernemer zijn geweest. Daardoor verstaan de meeste Kamerleden het verschil tussen een ondernemer en een werknemer niet, en vinden ze het maar oneerlijk dat ondernemers fiscale voordelen genieten die werknemers niet hebben. Zelfs Kamerleden die de vennootschapsbelasting naar nul willen brengen, willen van de fiscale voordelen voor zelfstandigen af.

Uit integriteitsoogpunt zouden de meeste Kamerleden zich bij de meeste onderwerpen moeten ‘recuseren’, hetzij omdat zij er een direct belang bij hebben hetzij omdat zij er geen belang bij hebben de belangen van degenen die directe belangen hebben te behartigen.

Ooit – ik was toen bijna nog niet geboren – werd de vorstelijke schadeloosstelling van Kamerleden beargumenteerd vanuit het oogmerk dat Kamerleden onafhankelijk en in een zekere maatschappelijk-materiele welstand het algemeen belang zouden moeten kunnen dienen. Nu – ook met een gemiddeld jaarinkomen van 116.000 euro – gebleken is dat Kamerleden het algemeen belang niet echt belangenloos kunnen dienen, is dat argument definitief weggevallen. De schadeloosstelling voor Tweede Kamerleden kan teruggebracht worden naar, zeg, modaal. Dat is ruimschoots voldoende voor wat in de kern ongeschoold werk is.

Met vriendelijke groet,

Dr. W.W.

De semi-autonomie van Hong Kong

In de Sino-British Joint Declaration van 1984 wordt duidelijk dat deze tot stand is gekomen door onderhandelingen tussen China onder leiding van Deng Xiaoping en Engeland onder leiding van Margaret Thatcher.

Het verdrag ziet op twee tijdvakken:

  • De periode tot het einde van de ‘pachtperiode’ in 1997, met bepalingen over de transitieperiode.
  • De periode tot 2047, met daarin garanties voor de speciale status van Hongkong en het behoud van de havenfunctie, de economische vrijheid, en de politieke, min of meer democratische structuur.

De verklaring is ingeschreven bij de Verenigde Naties. Vanuit Brits perspectief – en het perspectief van Engelstalige bronnen op het internet – is het daarmee een verdrag naar internationaal recht waarvan de inhoud afdwingbaar zou zijn door VN. Deze ‘afdwingbaarheid’ houdt in dat Engeland en China eventuele geschillen over de naleving van de verklaring kunnen voorleggen aan het Internationaal Gerechtshof van de VN in Den Haag (Vredespaleis).

Het Internationaal Gerechtshof in Den Haag is meer dan een louter symbolisch hof. De autoriteit van het IG wordt door de lidstaten van de VN erkend, en landen leggen geschillen voor in de hoop gelijk te krijgen (momenteel lopen er 16 zaken). Echter, het gaat daarbij niet om grote territoriale conflicten terwijl sommige zaken op voorhand beslecht zijn door de ongelijkheid tussen de betrokken landen (zie het geschil tussen de Palestijnse staat en de VS over de vestiging van de Amerikaanse ambassade in Jeruzalem). Of een geschil tussen Engeland en China daadwerkelijk voorgelegd wordt bij het IG, het IG Engeland gelijk zou geven, en China zich feitelijk daarbij neer zou leggen, mag betwijfeld worden.

De bepalingen in de Verklaring zijn minder helder dan het schijnt. Met name voor de bepalingen over de politieke, democratische structuur van Hongkong geldt dat niemand op basis van de Verklaring zou kunnen vertellen hoe die er zou moeten uitzien. Feit is dat Hongkong voor 1997 natuurlijk niet echt ‘democratisch’ bestuurd werd: het was onderdeel van het Britse rijk met een gouverneur die niet zozeer ondergeschikt was aan de bevolking van Hongkong als wel aan de regering in London. In de periode 1994-1997 zijn onder Brits gezag ‘democratische hervormingen’ ingezet, maar die hadden in 1997 nog niet geleid tot een democratie naar westers model. Dat de politieke organisatie van Hongkong tot 2047 niet dezelfde zou kunnen gaan blijven als de ‘eindstand’ van 1997 stond op voorhand vast. Gegeven dat de politieke organisatie zou gaan veranderen – wat feitelijk ook gebeurd is –, zou niet vastgesteld kunnen worden of deze veranderingen veroorzaakt werden door handelingen van China die indruisen tegen de bepalingen van de Verklaring.

Het min of meer officiële standpunt van China over de status van de Verklaring is de volgende:

  • De verklaring is tot stand gekomen uit de noodzaak een einde te maken aan een situatie die in de 19de eeuw ontstaan is doordat China en Groot-Brittannië in die fase niet gelijkwaardig waren c.q. doordat China in die fase niet door GB als een gelijkwaardige natie is bejegend. D.w.z. er moest een einde komen aan een historisch onrechtvaardige situatie welk einde niet anders bereikt kon worden dan doordat de betrokken landen deden alsof deze situatie ooit tussen gelijkwaardige naties overeen was gekomen en nu dan tussen gelijkwaardige naties moest worden beeindigd.
  • De bepalingen in de Verklaring hebben alleen gelding voor het eerste tijdvak, de periode tot de overgang van Hongkong naar China in 1997.
  • De bepalingen in de Verklaring over de periode 2047 zijn door China pragmatisch vastgesteld om een einde te kunnen maken aan de historisch onrechtvaardige situatie en zijn niet bindend voor China.

Dit standpunt is verschillende malen door Chinese vertegenwoordigers verwoord en speelde ook een rol doorheen de onderhandelingen in 1984 (en in het naspel tot de ratificatie in China in 1989). De Chinese onderhandelaars, en partijleider Deng, lieten er geen twijfel over bestaan dat Hongkong deel uitmaakte van China, dat China de jure soeveriniteit had over Hongkong en dat de onderhandelingen enkel gericht waren op een vreedzame overdracht, d.w.z. een vreedzame terugtrekking van de voorheen imperialistische grootmacht Groot-Brittannië. Als een Chinese onderhandelaar of woordvoerder een uitspraak had gedaan die suggereerden dan China concessies moest doen, floot Deng de betrokkene publiekelijk terug: de onderhandelingen werden gevoerd om een vreedzaam einde te maken aan een onrechtvaardigheid die door militair geweld tot stand was gekomen en die 140 jaar geduurd had. Punt.

Tegen deze achtergrond kan er geen twijfel over bestaan dat de Verklaring voor wat betreft de periode na 1997 een symbolisch karakter heeft. China heeft toezeggingen gedaan maar heeft zich daarbij het recht voorbehouden van die toezeggingen af te wijken. Dat China de toezeggingen tot dusver min of meer is nagekomen (niet iedereen is het daarover eens) moet verklaard worden vanuit politiek-economische opportuniteiten. De ‘kapitalistische’ economie van Hongkong waren en zijn vooralsnog nuttig voor de economische omvorming binnen China zelf; de wens van ‘westerse’ landen dat China de toezeggingen nakomt, zijn voor China nuttig. Ook nuttig is het blokkeren van de toetreding van Taiwan als zelfstandig land tot de Verenigde Naties. In Taiwan heeft China geen legers gestationeerd; in Hongkong wel. De ‘westerse’ landen weten dat als ze Taiwan als een apart land gaan bejegenen, China in een paar uur een einde kan maken aan de autonomie van Hongkong. Dat politiek drukmiddel werkt in twee richtingen: als China een einde maakt aan de autonomie van Hongkong, dan hebben de ‘westerse’ landen 1 reden minder om Taiwan niet te erkennen als zelfstandig land.

Hieruit volgt dat als en zodra de kwestie Taiwan definitief is opgelost, China de semi-autonomie van Hongkong enkel nog om economisch-pragmatische redenen zal handhaven. Die economisch-pragmatische redenen kunnen doorslaggevend zijn: het is in theorie mogelijk dat China voor of na 2047 geen reden heeft iets aan de status van Hongkong te veranderen, ongeacht of de kwestie Taiwan tot een einde is gebracht. Echter, de huidige Chinese leider heeft ingezet op een traject waarbij China tussen 2030 en 2035 de VS als economische en politieke wereldmacht voorbij zal zijn gestreefd. Virtueel is dit doel mogelijk al bereikt (afhankelijk van hoe je het telt zijn de VS allang bankroet; de staatsschuld van China is relatief tot het BNP marginaal) maar het duurt even totdat dat kwartje bij alle westerse media gevallen is, en China heeft geen haast met die boodschap: hoe langer het westerse kapitalisme zich superieur voelt ten opzichte van het ‘niet-kapitalistische’ Chinese systeem, hoe langer China de gelegenheid heeft een oplossing te vinden voor de vergrijzing.

Gedachtengoed Baudet onder de loep

Naar aanleiding van het rumoer rond Baudet refereerde Rob Schouten met instemming aan de oproep van oud-kamervoorzitter Verbeet tot verdieping in het conservatieve gedachtengoed. (Trouw, 23 maart 2019) Bijna simultaan betoogde de voorzitter van het Vlaams Blok in het programma De Afspraak dat Baudet niet zomaar weggezet kon worden als een racist, omdat die toch een serieuze en diepgaande studie over de aanval op de natiestaat had geschreven.

“De aanval op de natiestaat” is niet duur en de mensen die ’s-Nachts werken bij bol.com doen dat ook in de nacht van zondag op maandag.

Over naar de zaak. De reden dat we ons in het gedachtengoed van Baudet schijnen te moeten verdiepen, is dat het enerzijds bovengemiddeld diep schijnt te zijn, terwijl het anderzijds zodanig gepresenteerd schijnt te worden dat hele hordes kiesgerechtigden erachteraan lopen. Het is de populistische, rechtserige, voor mijn part racistische mantra’s die hem zo aantrekkelijk schijnt te maken. Daar zou dan iets van terug te vinden moeten zijn in dit boek. Als we het betoog van Baudet in zijn aanval op de aanval op de natiestaat proberen samen te vatten in iets wat met gemak in een ingezonden brief zou kunnen passen, dan is het zoiets:

(1)    Een democratie kan alleen slagen in een natiestaat;

(2)    Een natiestaat vereist souvereiniteit over een grondgebied en een bevolking met een gedeelde cultuur.

(3)    De natiestaat wordt aangeknaagd door supranationale organisaties als de EU en door de ideologie van het multiculturalisme.

Dus

(4)    We moeten de natiestaat gaan redden (= afschaffen van die supranationale clubs en we moeten stoppen met dat multiculturalisme).

De drie premissen spreken niet voor zich, en de conclusie volgt niet logisch-deductief uit de premissen. Zo zou iemand die – al dan niet door het volgen van de Brexit-soap en de Trump/Mueller-soap – niet veel op heeft met de democratie, de vraag kunnen stellen waarom de natiestaat gered moet worden. Maar in Nederland stellen of betogen dat de democratie een achterlijke staatsvorm is en dat China allang heeft laten zien dat een samenleving zonder democratie beter af is, is ook in de populistische kerk vloeken, want zo politiek-correct is het populisme dan nog wel, en de club van Baudet heet “Forum voor Democratie”, dus zo’n betoog zou zich onmiddellijk buiten zijn denkbubbel begeven. Laten we dus doen alsof de reeks stellingen (1) t/m (4) iets als een redenering voorstellen, die bovendien ongeveer uitdrukken wat Baudet zou kunnen zeggen als hij zijn gedachten uitdrukt zonder poëtische of en academische overhead.

Hoe is deze gedachtengang in het boek uitgewerkt? Daargelaten de inleiding en de uitleiding en andere passages waarin Baudet deze ideeënreeks min of meer letterlijk heeft neergepend.

Deel I: De opkomst van de natiestaat.

Hoofdstuk 1: De staat. Baudet hervertelt hier de opkomst van het centrale gezag tegen de achtergrond van het versplinterde, decentrale gezagsverhoudingen in de middeleeuwen. Historiografisch biedt het geen boeiende inzichten, maar het is niet geschiedvervalsend, en het is wel een aardige route naar het thema soevereiniteit.

Hoofdstuk 2: Soevereiniteit. Wat een moeilijk begrip is, ‘soevereiniteit’, waarover onder geleerder dan ook allerlei diepgaande discussies lopen die Baudet, nadat hij enkele van de paden door de lectuur heeft gevolgd, platslaat door terug te vallen op het meest gangbare begrip van soevereiniteit waarin iemand of iets de baas is over een bepaald gebied. Of die soevereiniteit nu verworven is door brute kracht, slaafse onderwerping, of redelijke instemming met een sociaal contract, doet er eigenlijk niet toe. Want het gaat om iets anders…

Hoofdstuk 3: De natie. Er zijn drie soorten naties: verlicht-universalistische, romantisch-particularistische en de multicultureel nationalistische. De laatste van de drie is volgens Baudet de enige echte: een natie is een staat die soeverein is op een bepaald grondgebied waar mensen wonen die ongeveer dezelfde normen en waarden koesteren. O, voor wie mocht denken dat Baudet een platte xenofoob is of zo: zijn natie staat binnenkomers toe. Mits ze zich ongeveer gaan gedragen als de reeds ingezetenen, dat spreekt. Anders is het gevoel van verbondenheid, van loyaliteit aan de gemeenschap weg. O, en die koppeling aan een bepaald grondgebied is noodzakelijk, want anders zou een stammengemeenschap ook als een natie aangemerkt kunnen worden. En, o, die soevereiniteit is noodzakelijk, want anders zouden organisatie als de EU en de Verenigde Naties ook als een natie aangemerkt kunnen worden.

Voor wie de populistische redenering wil teruglezen in het boek: de hoofdstukken 1 en 2 zouden overgeslagen kunnen worden, in hoofdstuk 3 begint de redenering met het poneren van stelling (2). Die stelling wordt geponeerd in oppositie met twee kennelijk alternatieve opvattingen. In weerwil van de uiteenzetting van Baudet sluiten de drie ‘visies’ op naties elkaar niet uit. Een natie kan ‘verlicht-universalistisch’ zijn terwijl toch de hele bevolking eensgezind en met heftige emoties voor de buis gaat zitten kijken naar Oranje op de WK-voetbal. Baudet roept een tegenstelling in concepten op die zich in de werkelijkheid niet hoeft laten gevoelen. Hij moet dat doen omdat verderop het universalisme en het particularisme als ‘vijand’-posities gaan figureren. Je moet als lezer dus doen alsof de tegenstellingen helder en scherp zijn, anders ben je Baudet verderop kwijt en vice versa.

Deel II: De aanval op de natiestaat

Hoofdstuk 4: Supranationale gerechtshoven. Het Internationaal Strafhof, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Internationaal Gerechtshof nemen beslissingen die de soevereiniteit van staten die aangesloten zijn, doorkruisen. Dit hoofdstuk is informatief en je zou het kunnen lezen zonder je te laten afleiden door de redenering die Baudet wil gaan opzetten. Ook voorbeelden die Baudet geeft ter illustratie van de stelling dat supranationale clubs de soevereiniteit bedreigen, kun je lezen als een illustratie van de spanning die er tussen de verschillende gremia van de macht kunnen ontstaan, en van het feit dat er ergens in de hiërarchie sprake moet zijn van machtswillekeur of, netter geformuleerd, van politieke afschattingen. Dat kun je als lezer meenemen zonder te kiezen voor de natie als het enige niveau waarop macht redelijk toegepast kan worden.

Hoofdstuk 5: Supranationale organisaties. De Wereldhandelsorganisatie, de VN-Veiligheidsraad en de EU zijn pakken van hetzelfde supranationale laken. Ook dit hoofdstuk is informatief en je kunt het ook weer lezen zonder mee te gaan met wat Baudet wil. De bespreking van supranationale organisaties is tegen de achtergrond van het sterke hoofdstuk 4 wel een anticlimax. Dat komt waarschijnlijk doordat Baudet hier zijn vertrouwde speelveld van het recht verlaten heeft en doordat de WTO nauwelijks gebruik heeft gemaakt van de supranationale bevoegdheden ende VN-veiligheidsraad zichzelf vaak uit de macht laten veto-en. Met de EU had Baudet meer kunnen doen maar ten tijde van het schrijven van zijn proefschrift wist Baudet natuurlijk nog niet dat de Engelsen de soevereiniteitskaart naar de EU zouden gaan trekken en wat voor gepruttel dat allemaal zou gaan geven.

Hoofdstuk 6: Multiculturalisme. Dit is, voor de redenering van Baudet, het sleutelhoofdstuk. Immers, zoals hij verderop zal toegeven, als de EU de soevereiniteit van de lidstaten overgenomen zou hebben, dan zou het supranationalisme van de EU niet zeer bezwaarlijk zijn. Het supranationalisme van de EU zou – zoals sommigen nog immer volhouden – enkel een fase zijn op weg naar de federale natie die naar de criteria van Baudet soeverein zou zijn. Omdat er in de geschiedenis voortdurend verschuivingen in soevereiniteiten plaatsgevonden hebben en er altijd ‘grensgebieden’ zijn geweest waarbij een stukje soevereiniteit in wording niet meer was dan een plukje supraheerlijkheid over allerlei kleinere heerlijkheden, zou Baudet ook niet staande kunnen houden dat supranationale tendensen op zichzelf slecht en bedreigend zijn. Baudet benoemd in dit hoofdstuk een meer bedreigende vijand, het rechtspluralisme: de situatie waarin voor mensen die binnen een rechtsgebied wonen niet dezelfde regels en wetten gelden. Maar door die vijand te benoemen, krijgt hij zijn redenering niet aan de zwier. Immers, rechtspluralisme is niet alleen bedreigend voor soevereine staten die een rechtstaat willen zijn, maar ook voor supranationale clubs die een redelijke en rechtvaardiging ordening in de wereld willen brengen. In hoofdstuk 6 speelt Baudet de multiculturele kaart. Hij meent dat het multiculturalisme heeft geleid tot rechtspluralisme: wetgevers en rechters zijn de culturele achtergrond van burgers gaan betrekken in wetgeving en rechtspraak. Tegen deze aantasting van de rechtstaat in een gezonde, soevereine natie zich verzetten. Maar – dat is het venijn van dat supranationale gebeuren! – clubs als het Internationaal Strafhof en de EU hebben soevereine naties pootje gelicht. Die liggen daardoor weerloos achterover terwijl de multiculti’s eroverheen trappelen.

De wijze waarop Baudet de motieven multiculturalisme en supranationalisme aan elkaar plakt is vermakelijk. Rechtspluralisme kan allerlei bronnen hebben, en is dan ook eerder regel dan uitzondering. Ouderen worden door de wetgever anders behandeld dan jongeren, mannen worden anders behandeld dan vrouwen, ondernemers worden anders behandeld dan werknemers, wie in een toch redelijk geordend landje als Nederland op zoek gaat naar rechtsongelijkheden kan ze overal vinden. Baudet stoort zich vooral aan rechtsongelijkheden waarin de culturele achtergrond een rol lijkt te spelen. Hij is daarin niet de enige. Hij is ook niet de enige die bij het zoeken van rechtszaken waarin de culturele achtergrond een rol gespeeld lijkt te hebben, overwegend casus heeft gevonden waarin de islamitische achtergrond van betekenis lijkt te zijn geweest. Of nee, wacht, de SGP die deed ook ooit beroep op een culturele achtergrond, en die ambtenaren van de burgerlijke stand die geen homohuwelijken wilden sluiten, die deden dat ook. Net als gewetensbezwaarden en mensen die hun kinderen niet willen laten inenten. Maar, oke, als een rechter gaat besluiten dat moord uit eerwraak in Nederland niet meer strafbaar is omdat eerwraak deel uitmaakt van een of andere cultuur, dan mag daar een punt van gemaakt worden. Tot dusver is zo’n uitspraak evenwel nog niet in de juridische annalen opgetekend.

                Premisse (3) van zijn redenering krijgt Baudet niet rond. Zijn plakbouwwerk ziet er vooral koddig uit: supranationale organisaties die vanuit universalistische idealen het rechtsparticularisme in de kaart spelen. Ziet Baudet – hoogontwikkeld en hooggeleerd – niet dat dit de zoveelste illustratie is van de contextafhankelijkheid van ‘de Gouden Regel’ c.q. van Kants categorische imperatief? Dat is een ernstig probleem, maar het is van alle tijden en van alle naties en heerlijkheden, en staat of valt niet met multiculturalisme. In mijn middelbare schooltijd – lang, lang geleden – werd het probleem bij maatschappijleer aangesneden met vragen als ‘moet je tolerant zijn tegenover mensen die niet tolerant zijn?’. Die vraag schijnt nog immer geen bevredigend antwoord te hebben gekregen. Toentertijd speelde de multiculturele dimensie nog niet. Die dimensie is kennelijk niet nodig om op dilemma’s te stuiten.

                Om weg te blijven van de beschuldiging dat hij een racist is of zoiets, moet Baudet in dit hoofdstuk bovendien vals spelen. Hij zegt multicultureel nationalisme voor te staan. Om het multiculturalisme als grote vijand van de democratie te presenteren, moet hij onderscheid maken tussen twee soorten ‘multiculturalisme’. Baudets multiculturalisme is de ‘open’ variant, die waarin groepen mensen prima met elkaar kunnen samenleven terwijl ze toch op heel verschillende manieren koken. Die variant leidt niet tot rechtspluralisme, althans niet zolang kookgewoontes niet in de rechtszaal besproken worden. En dan heb je de ‘gesloten’ variant, die waarin de ene groep burgers uit eerwraak aan het moorden slaat terwijl de andere groep burgers abortus niet wil toestaan vanwege de heiligheid van het leven, en rechters wetten buigen en breken om zowel eerwraakmoordenaars als abortusplegers vrij te kunnen spreken. Aan het einde van het hoofdstuk gaat hij jongleren met citaten waarbij hij mevrouw Merkel de term ‘multicultureel’ in de ‘gesloten’ variant laat bezigen terwijl zij zeer waarschijnlijk de term in de ‘open’ variant gebruikten. Het is een trucje dat Baudet opgepikt zal hebben van Paul Scheffer en andere crypto-Fortuynisten.

Deel III: Het belang van de natiestaat

Hoofdstuk 7: De democratische rechtsstaat. In dit hoofdstuk moet Baudet het gat dichten tussen de natiestaat die een rechtsstaat wil zijn, en de democratie als beste of enige staatsvorm waarin de natiestaat een rechtsstaat kan zijn. Hij is echter eerlijk genoeg om het gat onoverbrugbaar te maken. “Theoretisch kan die legitieme regering volstrekt ondemocratisch zijn.” (pagina 261, verwijzend naar een artikel van David Apter, maar Baudet had hier ook kunnen verwijzen naar een of andere klassieke Griek.) Hij probeert er nog wat van te maken: “In de politiek is het echter zeer onwaarschijnlijk dat het landsbestuur langdurig wordt ervaren als ‘vertegenwoordigend’ zonder inspraak of zeggenschap van het volk.” (p. 261, verwijzend naar de Federalist Papers die  Alexander Hamilton, James Madison en John Jay tussen 1787 en 1788 schreven; politicologen krijgen nog steeds stipendia om uit te zoeken welke regeringsvorm werkt, maar Hamilton, Madison en Jay waren er twee-en-halve eeuw terug al uit.) Maar tja, recentelijk heeft China het tegendeel bewezen en in de geschiedenis zijn er tientallen zo niet tienduizenden voorbeelden te geven van gemeenschappen die prima draaiden zonder noemenswaardige inspraak of zeggenschap van het volk.

                Echter, misschien hoeft Baudet hier niets te bewijzen omdat bijna al zijn lezers, inclusief de kritische intellectuelen, effectief in de richting van democratische mantra’s geïndoctrineerd zijn. Laten we eens de advocaat van de duivel spelen, en doen alsof een democratie echt nodig is voor een redelijke en rechtvaardige rechtsstaat. Dan moet Baudet nog steeds aantonen dat het multiculturalisme – in de ‘gesloten’ variant – de democratie ondermijnt. Baudet heeft verzuimd dat argument te geven. Als hij er zich toe zou zetten, dan zou hij zich er ook behoorlijk voor moeten inspannen. Hier bijt dreigt zijn argumentatie zichzelf in de staart te bijten. ALS het multiculturalisme – in de ‘gesloten’ variant – tot rechtspluralisme leidt, dan kan de democratie grote, ogenschijnlijk onoverbrugbare tussen burgers moeiteloos opvangen. De burgers met verschillende culturele achtergronden hoeven het niet meer eens te worden over de inhoud van de wetten, omdat verderop in de keten de wetten zodanig gebogen en gebroken worden dat mensen met verschillende culturele achtergronden verschillend worden behandeld. Wil Baudet het gevaar van het multiculturalisme richten op de democratie, dan moet die het rechtspluralisme c.q. de rechtsongelijkheid daarvan laten samenvloeien met een disfunctionerende democratie. Kan hij dat, dan lijkt hij zijn hoofdstuk over de democratische rechtsstaat te kunnen schrappen.

                Hier moet Baudet zwaar in gaat zetten over het maatschappelijke draagvlak. Bij rechtsongelijkheid – en specifiek de rechtsongelijkheid die het gevolg is van ‘gesloten’ multiculturalisme – wordt het maatschappelijk draagvlak aangetast. Burgers ‘herkennen’ zichzelf en hun cultuur, hun Leitkultur niet meer in de overheid. Want wat de een redelijk en billijk vindt, vindt de andere niet redelijk of billijk. Als dit zijn pleidooi voor de democratie is, dan heb ik nieuws voor Baudet. Er is onder partijen nooit of te nimmer sprake van overeenstemming over wat redelijk en billijk is. Daarover kunnen mensen zonder godsdiensttwist ruzie maken.

Hoofdstuk 8: Drogredenen die de aanval begeleiden. Wie tijd over heeft, kan dit hoofdstuk doornemen. De argumenten die in het ‘debat’ voor of tegen de natiestaat gegeven worden, hebben aan beide kanten een hoog drogreden-gehalte, en het laat zich natuurlijk verdedigen dat oorlogen die door historici veelal toegeschreven worden aan opkomend nationalisme ook toegeschreven zouden kunnen worden aan de onderdrukking van opkomend nationalisme. Tja,

Hoofdstuk 9: Zonder ‘wij’ gaat het niet. Dat schijnt een citaat van Paul Scheffer te zijn. In dit hoofdstuk zal dus niets nieuws staan.

Baudet gooit er nog een epiloog achteraan, maar dat is een moeizame herhaling van de samenvatting van zijn standpunt in het woord vooraf, aangevuld met wat wazige tips over hoe het allemaal beter kan. De multiculturele vijand verdwijnt na twee bladzijden uit beeld, dus zo bedreigend lijkt die toch niet te wezen.

BIdet & het urgenda-arRest

Geachte heer Bidet,

Bij vlagen is uw poging de zittende politieke klasse wat op te schudden, amusant. Incidenteel is het zelfs leerrijk: dat veel kamerleden menen dat in hun debatoefeningen meer informatie wordt gewisseld dan bij het voorlezen van een gedicht, is verontrustend. Door de bank genomen is uw aanval op de politieke elite evenwel niet succesvol en blijft u steken op het niveau van lolbroeken op verjaarpartijtjes, met dien verstande dat, doordat u uw grappen en grollen uithaalt alsof u daar de andere kamerleden wijzer mee wilt maken, in uw geval bij de aanschouwer vooral het beeld van een arrogante pseudo-intellectueel wordt ingebrand.

Zo zag ik zostraks tijdens het zappen uw reactie op de “hoe-kunnen-we-met-een-paar-simpele-handelingen-aan-het-Urgenda-arrest-voldoen”-papierstroken langskomen. Het spreekt – of zou onder kamerleden voor zich moeten spreken – dat de rechtbank in dezen op de stoel van de wetgever is gaan zitten, en aan de overheid een wazige, niet controleerbare verplichting heeft opgelegd. De methoden waarmee het CO2-emissie worden gemeten, veranderen in de tijd. Evenals de wijze waarop de lengte van files wordt gemeten. Zoals de ANWB door af te wijken van de methode waarmee de RDW de lengte van files meet, zelfs op slappe dagen een filerecord kan registreren, zo zou het kabinet kunnen zeggen dat volgens een andere meetmethode allang voldaan is aan de verplichting die is opgelegd. Er is, voor wie evidenties niet voor zich spreken, hierover ook een serieuzerig betoog af te steken dat met dichtregels of citaten uit werken van politiek niet-correcte auteurs als Camus of Hermans of – nog even en alle auteurs die voor 2000 geboren zijn, zijn politiek incorrect geworden – Aristoteles of – sommige auteurs hebben nieuwerwetse revisies niet nodig om politiek incorrect te blijven – Nietzsche opgeleukt zou kunnen worden.

Maar u maakt geluiden als  “CO2 is goed voor planten; dus hoe meer CO2, hoe groener”.

Krijgt u iets van 120.000 euro bruto per jaar om in en rond de Kamer de hofnar uit te hangen, en dan komt er dit uit?

U lijkt ten prooi gevallen te zijn aan een vorm van verdwazing. Wie de boel wil opschudden, ‘out-of-the-box’ wil denken, een structurele misstand aan de kaak wil stellen, doet er soms goed aan een olijke oneliner in een open wond te strooien. Maar – dat is het verschil tussen een lolbroek op een verjaarpartijtje of een middelbaar scholier die bij maatschappijleer iets verrassends denkt te kunnen zeggen enerzijds en anderzijds een serieuze ironicus – dat zou dan het begin van de opschudding moeten gaan zijn. U lijkt echter de mening toegedaan dat met zo’n geluid de kous daadwerkelijk en definitief afgenaaid zou moeten zijn.

In het algemeen gaat uw denken minder diep dan u zichzelf wijsgemaakt hebt. Wie nadenkt over maatschappelijke problemen zou – de empirie en de wetten van de logica volgend – uit moeten komen bij de vaststelling dat ‘democratie’ als staatsvorm prima is als een samenleving in de onderhoudsfase zit, maar inefficiënt en ineffectief als een samenleving al dan niet door ‘disrupters’ in een fase van verandering en ontwikkeling gebracht is. Althans, in de geschiedenis is er geen enkel voorbeeld te vinden van een complex maatschappelijk probleem dat door democratisch overleg is opgelost. Het soort overleg dat plaatsgrijpt in democratische parlementen is inhoudelijk van een te laag niveau om complexe problemen in kaart te kunnen brengen. In een democratie zijn politici bovendien een groot deel van de tijd bezig met de voortgaande strijd om de macht, met acquisitie. De tijd en energie die gestoken moet worden in de marketingrituelen van de democratie, wordt onttrokken aan het oplossen van het probleem zelf.

U lijkt van mening te zijn dat er geen ‘klimaatprobleem’ is. Mogelijk hebt u gelijk. Niet in de zin dat de theorieën over opwarming niet kloppen – u zult de klimaatmodellen te vluchtig hebben bekeken om daar een enigermate onderbouwbare visie op te hebben – maar in de zin dat het vanuit het perspectief van het universum niets uitmaakt wanneer welk deel van de mensheid verdwijnt. Dat maakt het klimaatprobleem tot een non-issue, en dan kunnen we motieloos overgaan tot de orde van de dag.

Mocht het ‘klimaatprobleem’ niet analytisch kunnen worden weggeknaagd door redelijkheid en relativering, dan blijft over dat de oplossing ervan zal moeten komen van autocratische landen als China. Daar hoeft de inmiddels voor het leven gekozen leider enkel overleg te voeren in de achterkamertjes om te besluiten dat er vanaf 2020 geen plastic tassen meer gebruikt mogen worden, dat alle woningen tot maximaal 17 graden verwarmd mogen worden, en dat het maar eens afgelopen moet zijn met warm douchen want door warm douchen wordt het lichaam alsmaar slapper en zouden we straks, nadat het klimaat is opgewarmd, in de zomer nog met winterjassen rond gaan lopen.

Maar u bent – ik heb het zo-even nog eens opgezocht om het ongeloof hier weg te nemen – van een forum voor democratie…!

Erop vertrouwend relevant aan u teruggekoppeld te hebben,

Met vriendelijke groet,

Dr. W.W

Zoete lieve Gerritje

p>Op 1 april 2007 werd hij, na een bliksemcarriere in de Bossche gemeentepolitiek, de jongste burgemeester van Nederland. In het kleine Vught, oké, maar de promotie naar het Bossche burgemeesterschap is nakend.

Niet iedereen had het door maar Roderick van de Mortel vertegenwoordigde behalve de jeugd ook oude tradities. Tegenwoordig is één derde van de Nederlanders officieel hoog-opgeleid. Wie solliciteert naar een functie die vroeger ‘secretaresse’ genoemd werd, maar tegenwoordig dan ‘office manager’ of zo, die moest tenminste 1 HBO-opleiding afgesloten hebben. In kringen van bestuurders en politici kom je bijna niemand meer tegen die niet ‘drs’ of ‘ir’ of ‘mr’ is. Zo nu en dan loopt er echter een uitzondering door de regel heen. De huidige burgemeester van Den Haag, Van Aartsen, is titelloos. De huidige staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, mevrouw Dijksma, die heeft zelfs twee academische studies niet afgemaakt, en dat heeft de PvdA er destijds niet van weerhouden haar voor te dragen als staatssecretaris van Onderwijs. Hadden Jozias en Sharon althans op papier het niveau van de ‘startkwalificatie’ bereikt, de nieuwe spring in ’t veld leider van GroenLinks, Jesse Klaver heeft na zijn vmbo-diploma geen al te serieuze pogingen meer gedaan zich te kwalificeren voor de arbeidsmarkt.

Het heeft iets knus. Zoals in de tijd van de regenten gaat het bij het verdelen van politieke functies nog steeds om ‘wie ken jij en wie kent jou’.

Roderick is wel een verhaal apart. Terwijl de meeste politici die enkel door netwerk-competenties een zetel in een bestuur hebben kunnen bezetten, om het hardst roepen van dat ze voor democratie zijn en zo meer, maakte Roderick er bij zijn aantreden geen geheim van: hij was tegen een ‘gekozen’ burgemeester. Zouden burgemeester gekozen gaan worden, dan kreeg je maar van die burgervaders die de burgerkinderen naar de mond zouden gaan praten. In het huidige stelsel, dat inderdaad dus nog van voor Napoleon stamt, weet je tenminste zeker dat de burgemeesterszetel niet bezet gaat worden door iemand ‘van het volk’.

Hij is in zijn anti-democratische opstelling ook opmerkelijk zuiver in de leer. Omdat het nergens anders op kan zijn geweest moet de benoeming van Roderick in 2007 gebaseerd zijn geweest op zijn politieke dienstbaarheid en zijn nevenfuncties. Omdat het burgemeesterschap hem zoveel tijd zou gaan kosten, kondigde hij aan dat hij van de meeste van die functies afscheid zou moeten gaan nemen. Roderick, die zich presenteerde als iemand van ‘een man een man, een woord een woord’ heeft momenteel slechts 29 nevenfuncties. 11 van die functies komen voort uit het burgemeesterschap, 18 niet. Natuur, cultuur, onderwijs, asiel en integratie, en carnaval, Roderick is overal lid of voorzitter van. Hij heeft zelfs een gastrol vervuld in een film van de Bossche Dansmari’s. Als Roderick zich niet zou mogen uitlaten over zaken waarbij hij direct of indirect een belang heeft, zou hij over elk onderwerp moeten zwijgen.

Voor wie mocht denken dat Roderick zichzelf met al die nevenfuncties zit te verrijken: hij ontvangt voor geen van deze nevenfuncties enige vorm van bezoldiging. Dat is zo mooi aan die oude regententraditie: een regent die een bestuursfunctie bekleedt, heeft meestal niet echt voor een inkomen hoeven te werken.

In 2007 stond voor Roderick hoog op de agenda dat de afstand tussen gemeente en gemeenschap groter was dan in andere gemeentes. Dat kwam door de A2, en de N65, en de twee spoorlijnen. Straks, als Roderick burgemeester van Den Bosch is, zal hij bij zijn aantreden vast benadrukken dat hij zijn karwei in Vught heeft afgemaakt. Dat dat met die A2 en die N65 en die twee spoorlijnen tijdens zijn aantreden toch allemaal geregeld. Weliswaar is er feitelijk nog geen schop de grond in gegaan, en is er officieel nog geen enkel besluit genomen over wat dan ook. Maar het is dan nu toch allemaal wel mooi ‘bestuurlijk op de rit gezet’.  Nu is hij, zo zal Roderick bij zijn aantreden in Den Bosch benadrukken,  klaar voor het grotere werk.

Is het voor Roderick jammer dat het infrastructurele puinruimen in Den Bosch wel zo’n beetje achter de rug is? Nee, Roderick is nu iets van 44 jaar. Dat is een mooie leeftijd om als burgervader functioneel met pensioen te gaan en je verder te concentreren op met kikvorsen door de stad te hossen.