Categoriearchief: Rechtspraak

De semi-autonomie van Hong Kong

In de Sino-British Joint Declaration van 1984 wordt duidelijk dat deze tot stand is gekomen door onderhandelingen tussen China onder leiding van Deng Xiaoping en Engeland onder leiding van Margaret Thatcher.

Het verdrag ziet op twee tijdvakken:

  • De periode tot het einde van de ‘pachtperiode’ in 1997, met bepalingen over de transitieperiode.
  • De periode tot 2047, met daarin garanties voor de speciale status van Hongkong en het behoud van de havenfunctie, de economische vrijheid, en de politieke, min of meer democratische structuur.

De verklaring is ingeschreven bij de Verenigde Naties. Vanuit Brits perspectief – en het perspectief van Engelstalige bronnen op het internet – is het daarmee een verdrag naar internationaal recht waarvan de inhoud afdwingbaar zou zijn door VN. Deze ‘afdwingbaarheid’ houdt in dat Engeland en China eventuele geschillen over de naleving van de verklaring kunnen voorleggen aan het Internationaal Gerechtshof van de VN in Den Haag (Vredespaleis).

Het Internationaal Gerechtshof in Den Haag is meer dan een louter symbolisch hof. De autoriteit van het IG wordt door de lidstaten van de VN erkend, en landen leggen geschillen voor in de hoop gelijk te krijgen (momenteel lopen er 16 zaken). Echter, het gaat daarbij niet om grote territoriale conflicten terwijl sommige zaken op voorhand beslecht zijn door de ongelijkheid tussen de betrokken landen (zie het geschil tussen de Palestijnse staat en de VS over de vestiging van de Amerikaanse ambassade in Jeruzalem). Of een geschil tussen Engeland en China daadwerkelijk voorgelegd wordt bij het IG, het IG Engeland gelijk zou geven, en China zich feitelijk daarbij neer zou leggen, mag betwijfeld worden.

De bepalingen in de Verklaring zijn minder helder dan het schijnt. Met name voor de bepalingen over de politieke, democratische structuur van Hongkong geldt dat niemand op basis van de Verklaring zou kunnen vertellen hoe die er zou moeten uitzien. Feit is dat Hongkong voor 1997 natuurlijk niet echt ‘democratisch’ bestuurd werd: het was onderdeel van het Britse rijk met een gouverneur die niet zozeer ondergeschikt was aan de bevolking van Hongkong als wel aan de regering in London. In de periode 1994-1997 zijn onder Brits gezag ‘democratische hervormingen’ ingezet, maar die hadden in 1997 nog niet geleid tot een democratie naar westers model. Dat de politieke organisatie van Hongkong tot 2047 niet dezelfde zou kunnen gaan blijven als de ‘eindstand’ van 1997 stond op voorhand vast. Gegeven dat de politieke organisatie zou gaan veranderen – wat feitelijk ook gebeurd is –, zou niet vastgesteld kunnen worden of deze veranderingen veroorzaakt werden door handelingen van China die indruisen tegen de bepalingen van de Verklaring.

Het min of meer officiële standpunt van China over de status van de Verklaring is de volgende:

  • De verklaring is tot stand gekomen uit de noodzaak een einde te maken aan een situatie die in de 19de eeuw ontstaan is doordat China en Groot-Brittannië in die fase niet gelijkwaardig waren c.q. doordat China in die fase niet door GB als een gelijkwaardige natie is bejegend. D.w.z. er moest een einde komen aan een historisch onrechtvaardige situatie welk einde niet anders bereikt kon worden dan doordat de betrokken landen deden alsof deze situatie ooit tussen gelijkwaardige naties overeen was gekomen en nu dan tussen gelijkwaardige naties moest worden beeindigd.
  • De bepalingen in de Verklaring hebben alleen gelding voor het eerste tijdvak, de periode tot de overgang van Hongkong naar China in 1997.
  • De bepalingen in de Verklaring over de periode 2047 zijn door China pragmatisch vastgesteld om een einde te kunnen maken aan de historisch onrechtvaardige situatie en zijn niet bindend voor China.

Dit standpunt is verschillende malen door Chinese vertegenwoordigers verwoord en speelde ook een rol doorheen de onderhandelingen in 1984 (en in het naspel tot de ratificatie in China in 1989). De Chinese onderhandelaars, en partijleider Deng, lieten er geen twijfel over bestaan dat Hongkong deel uitmaakte van China, dat China de jure soeveriniteit had over Hongkong en dat de onderhandelingen enkel gericht waren op een vreedzame overdracht, d.w.z. een vreedzame terugtrekking van de voorheen imperialistische grootmacht Groot-Brittannië. Als een Chinese onderhandelaar of woordvoerder een uitspraak had gedaan die suggereerden dan China concessies moest doen, floot Deng de betrokkene publiekelijk terug: de onderhandelingen werden gevoerd om een vreedzaam einde te maken aan een onrechtvaardigheid die door militair geweld tot stand was gekomen en die 140 jaar geduurd had. Punt.

Tegen deze achtergrond kan er geen twijfel over bestaan dat de Verklaring voor wat betreft de periode na 1997 een symbolisch karakter heeft. China heeft toezeggingen gedaan maar heeft zich daarbij het recht voorbehouden van die toezeggingen af te wijken. Dat China de toezeggingen tot dusver min of meer is nagekomen (niet iedereen is het daarover eens) moet verklaard worden vanuit politiek-economische opportuniteiten. De ‘kapitalistische’ economie van Hongkong waren en zijn vooralsnog nuttig voor de economische omvorming binnen China zelf; de wens van ‘westerse’ landen dat China de toezeggingen nakomt, zijn voor China nuttig. Ook nuttig is het blokkeren van de toetreding van Taiwan als zelfstandig land tot de Verenigde Naties. In Taiwan heeft China geen legers gestationeerd; in Hongkong wel. De ‘westerse’ landen weten dat als ze Taiwan als een apart land gaan bejegenen, China in een paar uur een einde kan maken aan de autonomie van Hongkong. Dat politiek drukmiddel werkt in twee richtingen: als China een einde maakt aan de autonomie van Hongkong, dan hebben de ‘westerse’ landen 1 reden minder om Taiwan niet te erkennen als zelfstandig land.

Hieruit volgt dat als en zodra de kwestie Taiwan definitief is opgelost, China de semi-autonomie van Hongkong enkel nog om economisch-pragmatische redenen zal handhaven. Die economisch-pragmatische redenen kunnen doorslaggevend zijn: het is in theorie mogelijk dat China voor of na 2047 geen reden heeft iets aan de status van Hongkong te veranderen, ongeacht of de kwestie Taiwan tot een einde is gebracht. Echter, de huidige Chinese leider heeft ingezet op een traject waarbij China tussen 2030 en 2035 de VS als economische en politieke wereldmacht voorbij zal zijn gestreefd. Virtueel is dit doel mogelijk al bereikt (afhankelijk van hoe je het telt zijn de VS allang bankroet; de staatsschuld van China is relatief tot het BNP marginaal) maar het duurt even totdat dat kwartje bij alle westerse media gevallen is, en China heeft geen haast met die boodschap: hoe langer het westerse kapitalisme zich superieur voelt ten opzichte van het ‘niet-kapitalistische’ Chinese systeem, hoe langer China de gelegenheid heeft een oplossing te vinden voor de vergrijzing.