Bregman’s meeste mensen deugen

Bericht aan de heer Bregman, De Correspondent 22 november 2019

Met gereserveerde interesse heb ik uw boek “De meeste mensen deugen” gelezen. Daarbij heb ik mij een oordeel gevormd over uw boek hetgeen ik hierbij uitwerk.

Beroemde oude experimenten getuigen ook van naïviteit en sensatiezucht. Wat mij als eerste wat dwars zit, is dat u in uw boek allerlei onderzoeken, experimenten en theorieën aan de kaak bent gaan stellen die, al decennia terug en soms al eeuwen terug zijn ontmaskerd. Dit geldt voor 1. Kitty Genovese, voor de ‘beroemde’ experimenten waaruit de wreedheid van mensen zou zijn gebleken, zoals dat van 2. Stanley Milgram en 3. het Stanford Prison Experiment van Philip Zimbardo. Er is op zich niets op tegen als wetenschappelijke parabels gerecycled worden. Wat mij stoort, is dat u de stelling dat de meeste mensen niet deugen – tracht te ondermijnen door pseudowetenschappelijke parabels te ontmaskeren. Ik zie niet in hoe daaruit bewijskracht voor uw stelling dat de meeste mensen wel deugen – valt af te leiden.

Neem eens aan dat iemand stelt dat je koolstof in diamant kunt veranderen. Kunnen we die stelling dan onderuit halen door te laten zien dat het een pseudowetenschapper, een religieuze fanaat of een andersoortige bedrieger is? Ik denk dat het ontmaskeren van ‘beroemde’ experimenten, het maximaal haalbare is van de sociale psychologie; meer dan dat kan de sociale psychologie niet aantonen. Mensen hebben doorgaans geen verstand van wetenschap, maar willen wetenschappelijke inzichten ‘napraten’. Ik noem dit naïviteit. Naïviteit is het napraten van wetenschappers zonder de materie zelf te beheersen. De meeste mensen gaan naïef met wetenschappelijke experimenten om. Ook de ‘beroemde’ experimenten in de sociale psychologie getuigen van onwetenschappelijke naïviteit en sensatiezucht.

Uitwerking van Bertrand Russel. U (de auteur Bregman) zet zich af tegen de stelling – voor de grap spreek ik hier van (tegen-)stelling, dat de meeste mensen deugen. De aard van de stelling “de meeste mensen deugen” is raar. Immers, heeft de auteur de mensen geteld? De auteur geeft in zijn boek aan Bertrand Russel geweldig te vinden.

We kunnen hier het analytische spoor dat Russell zou uitstippelen volgen.

Ten eerste: De stelling “De meeste mensen deugen” lijkt geen analytische bewering te kunnen zijn. Immers, in dat geval zou u er een mathematisch-logisch bewijs voor kunnen opzetten waarvan door de ‘alle vrijgezellen zijn ongehuwd’-trivialiteit u vast de lust ontnomen heeft er enige letter aan vuil te maken.

Ten tweede: De stelling “De meeste mensen deugen” lijkt ook geen empirisch-synthetische bewering te kunnen zijn want in dat geval zou de auteur Bregman zelf op onderzoek zijn uitgegaan. Dit is ook onwaarschijnlijk omdat zelfs het uitschrijven van een eenvoudig experiment de gemiddelde wetenschapper twee jaar onderzoekstijd kost; en dan is er nog geen dik boek geschreven.

Ten derde: De stelling “De meeste mensen deugen” is een niet-empirische synthetische bewering; dus een bewering van het type waarbij Russell existentiële kanttekeningen zou willen plaatsen.

Concluderend, als u en ik Russell op de man af zouden vragen wat hij zich voorstelt bij een ‘niet-empirische synthetische bewering’ dan zou hij ons bekennen dat hij zich daarbij niets, maar dan ook NIETS kan voorstellen, anders dan dat een niet-empirische bewering hem doet denken aan wat Immanuel Kant een postulaat van het denken zou noemen en hier dan een postulaat van het praktische denken. Hume zou kunnen zeggen dat het een aanname is die we maken op momenten dat we niet aan filosofie willen doen.

Het boek kritisch beschouwd. U positioneert uw stelling in de vermeende tegenstelling tussen Thomas Hobbes en Jean-Jacques Rousseau. De eerste meende volgens u dat de mens van nature slecht is, en dus bedwongen moet worden door een Leviathan; de tweede meende volgens u dat de mens van nature goed is, maar door de cultuur slecht is gemaakt. Waaraan we toe moeten voegen dat, omdat Rousseau meende dat de mens door de cultuur slecht is gemaakt, de gecultiveerde mens bedwongen moet worden door een algemene wil die nog wat totalitairder is dan de Leviathan van Hobbes.

Vermits Hobbes en Rousseau het op alle praktische punten eens waren, is het enigszins raadselachtig waarom u ze tegenover elkaar meent te moeten stellen. Maar, mij is wel helder waarom u dat raadsel niet ziet: u denkt dat Hobbes en Rousseau bezig waren met het bespreken van een empirisch-synthetische bewering (nr. 2). Dit is het soort bewering dat zich in principe door wetenschappelijk onderzoek laat afhandelen, terwijl ze natuurlijk bezig waren met de type stelling waarvan Russell zich geen voorstelling van kon maken.

Historie van normen en waarden. Hoe zat het ook alweer, historisch beschouwd in de zestiende, zeventiende, achttiende eeuw? De Europese elite had de religieuze dogma’s wel zo’n beetje losgelaten, maar ze was nog niet opgehouden met het voeren van godsdienst-oorlogen. Dat de grote massa nog geloofde in religieuze metafysica kwam de elite bij vlagen goed uit. De meest intellectueel begiftigden onder de elite begrepen echter wel dat de verankering van normen en waarden, en vooral ook de macht, niet meer in de hemel gevonden kon worden maar ergens in het drassige moeras op aarde moest worden geregeld. Gelukkig reikte dat drassige moeras zichzelf als antwoord aan: normen en waarden (lees: de macht) was nodig om de natuur van de mens te beteugelen. De aard van de mens was intrinsiek ‘slecht’ genoeg om de Bijbelse zondeval met de Christus-parabel uit de vergelijking te kunnen wissen, en 100% seculier naar de noodzaak van een almachtige overheid over te gaan. Dat deed Hobbes dus (niet helemaal zuiver, maar de idee was duidelijk). Na Hobbes werd er door semi-seculiere apostelen flink wat water bij de totalitaire wijn gedaan maar de meeste wijngieters behoorden nog steeds zelf tot de elite, de bezittende klasse die eigenlijk niet veel te duchten had van een totalitaire overheid omdat ze daar zelf hun plaatsje in konden vinden.

Ondertussen groeide de middenklasse in West-Europa dus er traden zo nu en dan ook lieden van eenvoudige afkomst tot de elite toe. Dat gaf ruimte voor ‘afwijkende’ standpunten, en zo was het wachten totdat iemand zou gaan betogen dat de mens zich niet slecht gedroeg vanwege de natuur van de mens maar omdat de mens door de cultuur (met al die macht-elementen) slecht gemaakt was. Entree Rousseau: De Nature-Nurture-lijn kan doorgetrokken worden tot in 2020, maar hoe boeiend de kronkelingen daarin ook mogen zijn, het begon allemaal met het wegvallen van de religieus-metafysische basis van de Orde der Dingen. De mantra’s over dat de mens van nature slecht is, of van nature goed, of iets daartussenin zijn nog steeds surrogaten voor religieuze spreuken. Het zijn pogingen om iets uit te drukken waarbij Russell zich geen voorstelling kon maken en waarover Kant nog maar net hoopte iets te kunnen postuleren.

Hanteerbaarheid met leefregels. Zouden we de stelling “de meeste mensen deugen” terug willen brengen naar meer hanteerbare, empirische proporties, tot een stelling die we daadwerkelijk wetenschappelijk zouden kunnen onderzoeken, dan dwingen we onszelf wazige termen als ‘deugen’, en ‘goed’ en ‘kwaad’ uit het verhaal weg te filteren, al dan niet onder expliciete verwijzing naar diegenen die de relativiteit van morele stelsels hebben ‘bewezen’. Het staat op voorhand (à priori) vast dat we dan niet zullen uitkomen bij een “de meeste”- of “alle”- of “geen”-stelling. De empirisch-wetenschappelijke route voert naar de bevinding dat mensen zo nu en dan handelen op een wijze die door sommige mensen als ‘goed’ wordt aangemerkt, terwijl andere mensen daar een ander predicaat aan zouden willen hangen.

10 leefregels Bij herlezing van uw boek begreep ik echter dat ik door het uitschrijven van bovenstaande te veel aandacht zou gaan besteden aan dat deel van uw boek dat, in de context van het oogmerk van uw boek, gans overbodig is, te weten pagina 11 tot en met 450. Immers, de tien ‘leefregels’ die u de lezer aan het einde van het boek voorhoudt, zou u de lezer ook hebben kunnen voorhouden zonder excursies lang Rousseau en Stanford Prison Experimenten:

1 “Bij twijfel, ga uit van het goede.”

Deze leefregel is te vinden bij allerlei auteurs sinds de mensheid de prehistorie achter zich heeft gelaten.

2 “Denk in win-win-scenario’s.”

Deze leefregel is te vinden in zo ongeveer elk managementboek dat na de Tweede Wereldoorlog is geschreven.

3 “Verbeter de wereld, stel een vraag.”

Die klinkt ook zo mooi om als waarheid op een tegeltje te staan, en dan zal die vast ook wel ergens op een tegeltje staan. Het is natuurlijk ook onzin. Er heeft nog nooit iemand de wereld verbeterd door een vraag te stellen.

4 “Temper je empathie, train je compassie”.

Goed dat het onderscheid tussen empathie en compassie gemaakt wordt. Empathie is immers een vreselijk egoïstisch en egocentrisch emotie-achtig iets. Maar, helaas voor diegenen die hier een diepe gedachte in willen lezen, de empathie-mythe is in de vijftiger jaren al eens op een hilarische wijze ontmaskerd (en wel in de film “Funny Face” met Fred Astaire en Audrey Hepburn)

5 “Probeer de ander te begrijpen, ook als je geen begrip hebt.”

Bijna Hegeliaans diepzinnig, deze leefregel. En, inderdaad, wie Hegel een beetje kent, kan in de leefregel het onderscheid herkennen dat Hegel maakte tussen ‘begrijpen’ en ‘rechtvaardigen’.

6 “Heb je naaste lief, gelijk ook anderen hun naasten lief hebben.”

Elke leefregel die lijkt op de gouden regel is net zo overtuigend als hachelijk. Vermits ik op eerste kerstdag nogmaals naar “It’s a wonderful life” heb gekeken, laat ik deze evenwel passeren. O, Donna Reed schijnt tijdens de opnames een koe te hebben gemolken om aan Lionel Barrymore te bewijzen dat zij uit een klein dorp kwam. Heeft niets met uw leefregel te maken, maar niet minder dan de Kitty Genovese-parabel.

7 “Vermijd het nieuws.”

Dit motief – de media benadrukken slecht nieuws en daar word je cynisch van – is eerder uitgewerkt. Bijvoorbeeld door Matt Ridley in zijn “De rationele optimist” (The Rational Optimist: How prosperity evolves, 2010.) Zit was in. Maar inmiddels is er dus al een meerderheid die het ‘nieuw’ niet meer volgt. Die kijkt naar de optimistische nieuwsberichten op RTL en SBS. Overigens bleek uit een onderzoek dat ik in 2004 heb uitgevoerd met studenten communicatiewetenschappen dat meer dan 50% van de nieuwsitems in het NOS Journaal en in rubrieken als Nieuwsuur een positieve, optimistische toonzetting had. Dat kon ook niet anders: deze items waren rechtstreeks ontleend aan persberichten van bedrijven en organisaties die hun producten of bevindingen met de mensheid wilden delen.

8 “Sla geen nazi (of: steek een hand uit naar je grootste vijand).”

Rare tip: alsof je andere mensen wel zou moeten slaan. Enfin, ik heb deze tip in enige vorm uitgetest in mijn middelbare schooltijd. Zo nu en dan kom ik op straat een klasgenoot tegen die zich naar Sharon Dijksma-maatstaven vast als een nazi naar mij toe heeft gedragen. Maar Sharon Dijksma heeft de essentie van pesten nooit begrepen, dus ik begrijp nog steeds de klap die ik terug zou krijgen, veel harder zal zijn dan de klap die ik uitdeel.

9 “Kom uit de kast, schaam je niet voor het goede.”

Laatst deed ik het nog. Hoewel volgens u het Broken Window-effect niet bestaat, laat het zich bij de school waar ik momenteel rondloop dagelijks filmen. In de ruimte waarbij toch duidelijk een bord staat “Hier niet eten of drinken” is het tot een uur of elf redelijk opgeruimd, na de middaglunch liggen er een paar papiertjes, en om een uur of twee is de vloer bezaaid met blikjes, lege flessen, halfgevulde papierzakken met allerlei nog best wel eetbare viezerigheden daartussen. Enkele weken terug, bij het opruimen van die zooi, signaleerde ik dat ik zo nu en dan rondkeek of niemand zag wat ik deed. In de les maak ik immers bij het opruimen van lege flesjes soms grapjes van het type “een docent is soms bijna net zo nuttig als de conciërge” maar ik wil natuurlijk niet dat leerlingen en studenten danken dat ik echt de conciërge ben. Dat moet ik afleren.

10 “Wees realistisch.”

Hmmm, ik heb wat moeite met vermoeiende woordspelletjes rond cynisme en realisme. Maar misschien komt dat doordat ik Love Actually nog nooit gezien heb.

Tot slot

Ik vind uw boek incoherent en langdradig. Maar dat komt mogelijk doordat ik niet begrijp wat u ermee wilt bereiken.

Nota Bene:

Tot dusver heb ik in de boeken hier thuis in de bibliotheek geen verwijzing gevonden naar Peter Warner en de echte Lord of the Flies. Omdat u vast dezelfde bronnen hebt gevonden als ik, weet u ook dat Peter Warner vaker groepjes mensen van eilanden rond Tonga heeft gehaald. Naast de jongens die langere tijd in vrede met elkaar hebben overleefd, was daar ook een groepje bij van mensen die elkaar na zes weken bijna naar het leven stonden. Anekdotisch bewijsmateriaal is vaak zeer illustratief maar zelden bewijsmateriaal.