Alle berichten van Dr WW

Anti-anti-vaxxinisme en anti-semitisme

Bij de universiteit Leiden heeft men vastgesteld dat in de club waarvan de leden van Paul Cliteur promotiebullen uitgereikt krijgen, toch geen sprake is van antisemitisme.

Hoewel de commissie Corstens vast bol heeft gestaan van rechtsgeleerdheid, zal taalkundigheid dunner gezaaid zijn geweest. In de volksmond staat ‘antisemitisme’ gelijk aan ‘jodenhaat’ en discriminatie jegens joden, taalkundig staat het voor ‘haat jegens semitische volken’. Als de commissie Corstens een taalkundige in het midden had gehad, was het onderzoek snel klaar geweest. Tot de semitische volken behoren ook Arabische volken. Dat de promovendiclub van Cliteur – en Cliteur zelf – ‘iets’ tegen Arabische volken hebben, behoeft nauwelijks betoog. Het westers ideologisch-chauvinisme, dat insisteert dat de Verlichting van Hume en Kant de enige verlichting is die de mensheid tot inzichten heeft gebracht, druipt er vanaf.

David Hume en Immanuel Kant zouden er niets van moeten hebben, van die westerse intellectuele eigendunk. Kant – die nog steeds de reputatie heeft van een strak-gelovige autist – nam duizenden pagina’s de tijd om de lezer te brengen tot inzichten die hij als Christelijke gelovige vanzelfsprekend had aanvaard. Daarmee bevestigde hij Hume’s paradox: wie nadenkt, raakt al zijn geloven kwijt, maar zodra je ophoudt met nadenken, komen de meeste geloven gelukkig weer terug.

De vaststelling dat Cliteur en Thierry B. antisemitisten zijn, levert helaas geen catharsis op die intellectuele zelfverheffing rechtvaardigt. Je kunt de pseudo-intellectueel en boreaal-dichte B. te kakken zetten met een liedje over zijn flutsmoesjes. Maar dat is zoiets als de grapjes die Stephen Colbert en John Oliver en zo de afgelopen vijf jaar over Donald Trump gemaakt hebben. Je probeert de ‘bubble’ van mensen die het toch al met je eens zijn, zo star mogelijk te maken om onderling zoveel als mogelijk lol te kunnen hebben zonder jezelf te confronteren met het feit dat jouw ‘bubble’ uiteindelijk alleen gelijk heeft, als die gelijk krijgt, door een staatsgreep of een verkiezing-Western style. Iemand een antisemiet noemen, is uiting van arrogantie en een poging tot uitsluiting: “Ik ben beter dan jij, en ik hoef dus helemaal niet meer met jou in discussie te gaan.” Dat in discussie gaan, gebeurt dan ook zelden nog.

Ik heb bijna zestig jaar kijkervaring, maar ik heb nog nooit een Kamerdebat gezien waarbij een woordvoerder die een andere mening was toegedaan dan een andere woordvoerder, tijdens dat debat zei: “He, zo had ik er nog niet tegenaan gekeken!” Dat ik toch naar die democratische rituelen ben blijven kijken, zal komen door dezelfde factor als die waardoor ik vroeger naar westerns keek en lang na de puberteit de DVD’s van Columbo inmiddels vier keer heb afgekeken: het is fijn om naar iets te kijken waarvan je van tevoren weet hoe het afloopt.

Aristoteles dacht dat redelijkheid het essentiële kenmerk van de mens was. Ik ben niet redelijk genoeg om dat definitief te ondergraven. Als ik mijn ondergraafpogingen opgeef, heb ik het gevoel dat mensen dieren zijn die zich hebben aangeleerd het rudimentaire verlangen naar knusheid onder miljoenen woorden te begraven.

Hoe dan ook, wie een antisemiet is, en wie ook nog de neiging heeft tot complotdenken, en wie die neigingen dan ook nog cultiveert in de hoop ooit als minister-president de dichter des vaderlands uit te kunnen gaan hangen, kan doorheen narcistische eigengereidheden het soms nog wel bij het rechte eind hebben.

  • De avondklok is geen redelijk middel tegen de COVID-19-pandemie. De scholen dichthouden, is redelijker. Gegeven de data die tot dusver verzameld zijn, is het enige daadwerkelijk effectieve middel tegen de pandemie dat iedereen een week of vier thuisblijft. Alle andere ideetjes zijn schaamlapjes voor het menselijk onvermogen tot consistent redeneren.
  • De avondklok-maatregel is staatsrechtelijk dubieuzer dan de capriolen van Seyss-Inquart, want in de Tweede Wereldoorlog was er sprake van een noodsituatie. Het is trouwens jammer dat die rechter die de grenzen van de trias politica overschreed door de avondklok buiten werking te plaatsen, niet de nog stoutere schoenen heeft aangetrokken door het kabinet onder bewind te stellen. Het kabinet is demissionair en mag volgens het staatsrecht geen controversiële beslissingen nemen. Het is evident dat de enige reden waarom het kabinet voor die noodmaatregel-route heeft gekozen, is dat, indien het kabinet aan het parlement had gevraagd om aan te geven welke zaken controversieel zijn, de coalitiegenoten die voor de avondklok zouden willen stemmen, de avondklok tot een controversieel onderwerp hadden moeten bestempelen. Dat was een lepe truc, maar een rechter kan dat ook wel aanmerken als een symptoom van ontoerekeningsvatbaarheid.
  • Iedereen vaccineren tegen SARS-2 is maatschappelijk onzinnig en medisch imbeciel. De hele wereldbevolking inenten tegen SARS-2 en dat jaarlijks moeten herhalen, vereist een jaarlijkse investering van 600 miljard dollar; omdat de kans dat het mondiale vaccinatiepercentage boven 30% uitkomt nagenoeg nihil, zouden veel ‘lockdown’-maatregelen ook na de vaccinatiecampagnes gehandhaafd moeten blijven; in tegenstelling tot bij cohortvaccinatiecampagnes tegen polio en mazelen, laat zich bij SARS-2 een risicogroep onderscheiden van de niet-risicogroep, en zou volgens ‘Verlichte’ redelijkheid waar we in het Westen zo trots op zijn de vaccinatiecampagne bij SARS-2 zich kunnen en moeten richten op de risicogroepen.

Een probleem is dat dit soort triviale feiten zich nauwelijks nog in stelling laten brengen als ook pseudo-intellectuelen als Thierry B. ermee aan zijn komen zetten.

En, zoals Theo Schetter ervaarde na zijn eerste optreden bij Blckbx, je moet in een pleidooi tot redelijkheid rond vaccineren zeker niet verwijzen naar Andrew Wakefield, want dan sluit je jezelf op in het kamp van de anti-vaxxinisten. Dat staat gelijk aan een zelfverkozen verbanning uit de ‘community of discourse’. Enkel laten blijken dat je een keer hebt geluisterd naar een meneer die heeft verwezen naar Andrew Wakefield, kan je ook al op een blokkade komen te staan door Twitter, YouTube en al die andere kanalen waarlangs ‘mad men’ ons trachten te verleiden zaken aan te schaffen die we niet nodig hebben.

Je bent enkel veilig als je jezelf bij eerdere gelegenheden zozeer hebt verheven dat je tegenover Pyrrho op een pilaar bent gaan zitten en je narcistische bevrediging hebt gevonden in sceptisch-stoïcijnse meditaties.

Veel geluiden uit wat we dan het ‘kamp’ van de ‘anti-vaxxinisten’ zullen moeten noemen, zijn vast onzinnig. Wat er niet onzinnig aan is, is waarschijnlijk nutteloos. Als iets een feit is, dan verandert het proclameren van dat feit niets aan dat feit. Stel dat we in het westen allemaal autistisch zijn geworden omdat we in onze jeugd zijn ingeënt. Dan moeten we leren leven met het feit dat we allemaal autisten zijn. Next!

Als mensen niet in staat zijn hun gedachten en ideeën redelijk te ordenen – en dat schijnen we van nature niet te kunnen – dan moet je de golf van onredelijkheid en waanzin die het SARS-2- virus op gang heeft gebracht, misschien maar laten uitrollen. Over een paar miljard jaar zal het universum van de mensheid verlost zijn, en met een beetje klimaatmazzel zullen de andere dieren op de aardbol al eerder bevrijd.

Ergerlijk – emotie – is dat degenen waarvan de rede is gaan dwalen, in deze golf worden aangemoedigd wazige, inconsistente en onjuiste ideeën te gaan extrapoleren naar wazige en inconsistente morele dogma’s. Zonder ‘Verlichting’ leidt dat tot een maatschappij waarin mensen ‘ik ben negatief’-getest en ‘ik ben gevaccineerd’-emblemen moeten gaan dragen.

Tja, en dan is ant-antivaxxinisme dus toch een soort antisemitisme geworden…

dE KINDEROPVANGTOESLAGAFFAIRE-AFFAIRE

Toen ik hoorde dat het kabinet-Rutte III was teruggetreden, was mijn eerste reactie: “He-he, eindelijk neemt de club die Nederland nu al bijna een jaar met beleidsmatig aanmodderen onderdompelt in een coronacrisis, eens de verantwoordelijkheid.”

Maar, nee, de derde ploeg van Rutte bleek zich verantwoordelijk te voelen voor de ‘kinderopvangtoeslagaffaire’. Wat was dat ook alweer?

Ja, dat was waar ook. Als de media in 2020 niet zo bol hadden gestaan van COVID-19 en dat oudemuizengevechtje tussen Trump en Biden, dan zou dat misschien wel het woord van het jaar zijn geworden: ‘kinderopvangtoeslagaffaire’.

Doordat er – tussen de oraties van de heer Van Dissel door – hoorzittingen zijn gehouden over de kinderopvang en een onderzoekscommissie daarover het een en ander heeft opgetekend in een rapport hadden de media eerder pogingen kunnen doen om het tot het woord van het jaar te maken. Hoewel de onderzoekscommissie de nadruk legt op het falen van de rechtsstaat en het onrecht dat de betrokkenen daardoor is aangedaan, is het meest opmerkelijke aspect van het rapport dat de meeste feiten reeds lange tijd openbaar waren.

Het is mogelijk de openbare voltrekking van de affaire te gebruiken als schakel in een betoog naar de conclusie dat de rechtsstaat heeft gefaald. Immers, als iedereen (ministers, ambtenaren, kamer, rechters, media, en 30.000 betrokken gezinnen plus al de familieleden, vrienden en kennissen van al die betrokken gezinnen) al wist dat de wijze waarop de kinderopvangtoeslag werd uitgevoerd, gezinnen aan de rand van de financiële afgrond bracht en daar niets aan gedaan is, dan heeft alles gefaald, en dus ook de rechtsstaat.

Je kunt het echter ook omdraaien: omdat alle gremia van de macht redelijkerwijs – bijvoorbeeld door zelfgeschreven besluiten, vonnissen en rapporten te lezen – wisten wat er aan de hand was, en geen actie is ondernemen, gingen alle gremia van de macht ook na toetsing akkoord met de schade die het beleid aan een gezin kon toebrengen. Vanuit het perspectief van het volk, uitgewerkt en gecontroleerd door de drie machten, was deze schade simpelweg ‘collateral damage’. Dan heeft de rechtsstaat dus eigenlijk prima gefunctioneerd.

Dat is het mooie met doelredeneringen: ze lopen altijd precies naar het punt waar je wil uitkomen.

Wie wil uitkomen bij een falende rechtsstaat, kan hier inbrengen dat het toch niet de bedoeling kan zijn van het volk dat maar liefst 30.000 gezinnen – DERTIGDUIZEND gezinnen – financieel genekt zijn omdat deze gezinnen beroep hebben gedaan op de kinderopvangtoeslag. Het probleem met deze hoge verontwaardiging is dat dit aantal uit de lucht is gegrepen. In rapporten van de Nationale Ombudsman en de commissie Donner wordt vastgesteld dat bij een significant doch veel lager aantal dossiers sprake is van onwenselijkheden. Het getal van 30.000 lijkt te zijn gebaseerd op een steekproef onder dossiers waarin de kinderopvangtoeslag is teruggevorderd vanwege grove schuld. Volgens die steekproef was dat slechts in 6% van de gevallen terecht. (Rapport, pagina 26, met verwijzing naar Kamerstuk II 2020/21, 31 066, nr. 754.) Maar een steekproef is slechts een steekproef en de toetsing heeft plaatsgevonden “naar huidige maatstaven“. Het laat zich verdedigen dat voor een oordeel over de rechtsstaat de huidige maatstaven minder relevant zijn dan de toenmalige maatstaven, en dat zo’n oordeel zich niet steekproefsgewijs laat vellen.

Bovendien is het overkill, 30.000 gezinnen als slachtoffer opvoeren. Dat impliceert of suggereert dat de rechtsstaat overeind zou zijn gebleven als niet 30.000 maar bijvoorbeeld slechts 30 gezinnen getroffen zouden zijn. Alsof ze in de Verenigde Staten zouden hebben moeten wachten totdat blanke agenten 30.000 onschuldige zwarten over de kling zouden hebben moeten gejaagd voordat een “Black Lives Matter”-betoging gerechtvaardigd zou zijn.

De waarheid is dat als er iets misgaat een samenleving vaak pas in beweging komt als het 10.000 of 30.000 keer is misgegaan. Dan is er pas maatschappelijk ‘momentum’. Dat zegt misschien minder over de rechtsstaat dan over de samenleving.

De samenleving houdt ook van overdrijving. Als het bij 30.000 gezinnen is misgegaan met die kinderopvangtoeslag, dan zijn daardoor natuurlijk geen 30.000 gezinnen aan de bedelstaf geraakt. Dat is misschien bij een paar duizend gezinnen, of misschien ‘slechts’ bij een paar honderd gezinnen het geval. Voor wie houdt van lumpsum-checks: op basis van de cijfers die in het rapport worden genoemd, is het gemiddelde bedrag van een kinderopvangtoeslagterugvordering ongeveer 4.500 euro. Dat is voor mensen die aan de verkeerde kant van de ongelijkheid zitten, niet weinig, maar of je dan meteen het einde van de financiële tunnel niet meer kunt zien? Omdat de kinderopvangtoeslag enigermate inkomensafhankelijk is, kan het gemiddelde onder de financieel zwakkeren hoger zijn. Er zal vast geen tweeverdienend juristen- of doktersechtpaar zijn dat 60.000 euro moeten terugbetalen. In een oefening casuïstiek begin ik me echter al gauw af te vragen of dat kinderopvangtoeslaggebeuren zo in elkaar zit dat een tweeverdienend juristen- of doktersechtpaar daadwerkelijk in aanmerking kan komen voor enige kinderopvangtoeslag. De wil van het volk kan toch niet zijn geweest dat gezinnen met een gezamenlijk inkomen van twee ton of zo ook nog een douceurtje krijgen opdat geen van de echtgenoten een dagje minder gaat werken?

Hmmm…. moet ik toch nog eens nagaan.

Wie tot een meer bezadigd oordeel over de kinderopvangtoeslagaffaire wil komen, maakt onderscheid tussen de momenten waarop er bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag daadwerkelijk in strijd met de wet is gehandeld en de mate waarin de uitvoering van de kinderopvangtoeslag – rechtmatig of niet – tot maatschappelijk onwenselijke situaties heeft geleid.

In de media is de laatste jaren met veel bombarie geroepen dat de overheid in strijd met de wet heeft gehandeld, maar dat is vooral bombarie geweest. Je kunt natuurlijk steeds harder roepen dat een ‘groepsgewijze’ sanctie niet mag en daar doorheen krijsen dat daarbij ook nog een nationaliteitscriteria of etnische criteria zijn gebezigd, maar een groepsgewijze sanctie laat zich simpelweg omzetten naar een reeks individuele sancties en er is geen redelijk mens die kan uitleggen waarom je de nationaliteit niet in je Big Data-analyse zou mogen gebruiken en, bijvoorbeeld, inkomen of postcode of het bezit van een bepaald merk auto wel. Dat er wetten circuleren die inhouden dat je iemand wel mag discrimineren omdat die rood haar of tatoeages heeft maar niet omdat die kroeshaar heeft, uit Marokko komt of Friese voorvaderen heeft, is in een kritische toetsing geen argument. Daargelaten dat dat best wel rare en ook nutteloze wetten zijn, is het niet redelijk beperkingen op te stellen voor criteria die in een onderzoeksfase worden gebruikt. Wat je wel kunt doen, is beperkingen opleggen aan de criteria die bij de onderbouwing van een sanctie kunnen worden gebruikt. Een rechter kan daarop toetsen. Moet je er natuurlijk wel voor zorgen dat dossiers kunnen worden voorgelegd aan een rechter, en niet tijdens een bezwaarprocedure in de la worden gelegd, of dat clubs zonder juridische bevoegdheden – zoals de Autoriteit Persoonsgegevens – zich met dossiers gaat bemoeien.

De kinderopvangtoeslagaffaire-affaire geeft aanleiding om bepaalde aspecten van het kinderopvangtoeslag-gebeuren nog eens goed te bekijken. Omdat in het kabinet van Rutte de wijsheid dun gezaaid was, is het niet onverstandig als daar later nog eens rustig naar wordt gekeken. Maar er hangen al donkere wolken boven die uitdaging: vanuit links, rechts en door het midden wordt er geroepen dat ‘het hele toeslagstelsel op de schop moet’.

Het hele kabinet weg, de hele rechtsstaat is gammel, het hele stelsel op de schop, in een democratie is dat codetaal voor ‘niemand is verantwoordelijk want niemand weet wat er mis is’.

Vaccinatie-bubble

De data die tot dusver zijn verzameld over COVID-19 geven sterke empirische ondersteuning aan de volgende beweringen:

1. Indien morgen alle Nederlands besmet zouden raken met COVID-19, zou 2 tot 3% van de Nederlanders daar significante medische consequenties van ondervinden.

2. De mate waarin een individu significante medische consequenties ondervindt van COVID-19 is sterk gecorreleerd met een cluster van factoren, de risicofactoren.

3. Voor veel – niet alle – risicofactoren geldt dat, voorafgaand aan de COVID-19-pandemie en onafhankelijk daarvan, in de medische informatiesystemen voldoende data zijn verzameld om binnen de Nederlandse bevolking risicogroepen te benoemen en – met een kwantificeerbare onzekerheidsmarge – in kaart te brengen.

Voor wie deze beweringen onderschrijft, volgt:

4. Indien er een vaccin zou zijn dat de risicogroepen effectief beschermd tegen het virus, kunnen de significante medische consequenties van de COVID-19-pandemie effectief worden bestreden door enkel de leden van de risicogroepen te vaccineren.

Handelend volgens (4) zou het vaccinatietraject in ongeveer 1 maand en 3 weken afgerond kunnen zijn, en zou Nederland over kunnen gaan tot de orde van de dag.

Dat overheden, daarin kennelijk ondersteund door ter zake deskundigen, een pad zijn ingeslagen dat gericht is op het vaccineren van de gehele bevolking of een zeer groot deel van de bevolking is enkel redelijk indien zij sterke redenen hebben om althans één van de drie beweringen (1) tot en met (3) niet te onderschrijven of te denken dat de huidige vaccins de risicogroepen niet effectief beschermen tegen het virus.

Uit de toelichtingen van bewindslieden en ter zake deskundigen tot dusver in de openbaarheid hebben gegeven, is evenwel vooralsnog niet duidelijk welke van de drie beweringen volgens hen onjuist zijn terwijl er allerwege sprake lijkt te zijn van de aanname dat de vaccins risicogroepen effectief beschermen.

Het lijkt erop dat men de aanname dat de bevolking in z’n geheel gevaccineerd zou moeten worden, niet analytisch-kritisch heeft getoetst.

Een verklaring hiervoor kan zijn dat het concept van kudde-immuniteit blijft rondzingen. Dit concept is er in twee smaken:

A) Kudde-immuniteit als gevolg van een niet geremde verspreiding van een virus onder het deel van de bevolking dat geen of beperkte hinder ondervindt van de besmetting maar door de besmetting – voor enige tijd – immuun is voor het virus.

B) Kudde-immuniteit als gevolg van het vaccineren van een groot deel van de bevolking.

In beide gevallen zouden risicogroepen effectief afgeschermd kunnen geraken van het virus.

Op dit moment is nog niet duidelijk hoe groot het deel van de bevolking moet zijn dat immuun is, wil er sprake zijn van kudde-immuniteit. Dit percentage is onder meer afhankelijk van de reproductiefactor R0. Deze reproductiefactor kan in de huidige situatie niet betrouwbaar bepaald worden omdat overheden en burgers maatregelen nemen om zich tegen het COVID-virus te beschermen. Als alle burgers in zelf-quarantaine gaan, daalt de gemeten reproductiefactor naar 0. Het kunstmatig – door maatregelen – omlaag brengen van de reproductiefactor geeft geen zicht op het immuniteitspercentage dat voor kudde-immuniteit vereist is. Om dit percentage te bepalen zouden we moeten weten wat de reproductiefactor is als overheden en burgers geen enkele beschermingsmaatregel zouden nemen. Daartoe bewust een proefopstelling creëren is maatschappelijk niet aanvaardbaar. Onbewuste proefopstellingen – in Italië in februari 2020 en in landen waar overheden nauwelijks beschermingsmaatregelen hebben genomen – geven een gevarieerd beeld met reproductiegetallen tussen 5 en 65. Vanwege de lange incubatietijd en de overwegend milde en soms geheel ontbrekende symptomen bij een Covid-19-besmetting is het redelijk aan te nemen dat het reproductiegetal bij Covid-19 zo hoog is dat voor kudde-immuniteit meer dan 95% van de bevolking immuun moet zijn.

Er is sprake van consensus over het feit dat variant A een zodanige bijsmaak heeft dat het bewust inzetten op deze vorm van kudde-immuniteit, medisch en maatschappelijk ongewenst is. Als een overheid hierop inzet, zal het aantal doden de limiet raken die tot uitdrukking komt in het fataliteitspercentage. 2 tot 3% van de bevolking zal rechtstreeks ten gevolge van Covid-19 overlijden. Omdat in deze situatie de capaciteit van de zorg overbelast raakt, zal de oversterfte veel hoger zijn.

Daarom zetten overheden – min of meer stilzwijgend of mogelijk zelfs onbewust – in op variant B. Als beleidsstrategie is dit, gegeven de aannames (1) tot en met (3) enkel redelijk indien bekend is dat de huidige vaccins de risicogroepen niet effectief beschermen of deze groepen daar ernstige bijwerkingen van ondervinden. Er zijn vooralsnog geen data bekend gemaakt waaruit blijkt dat juist de risicogroepen niet door de vaccins beschermd worden of deze vaccins juist voor de risicogroepen extra riskant zijn. Toch lijken overheden ervan uit te gaan dat het enkel toedienen van vaccins aan leden van de risicogroepen niet de meest gerede benadering is.

Methodologisch is hier een punt van aandacht dat de vaccins getest zijn op steekproefpopulaties waarin de risicogroepen ondervertegenwoordigd zijn geweest.

Tagging Bullsh*t

A reader’s reflection on “Calling Bullsh*t, The art of scepticism in a data-driven world” by Carl T. Bergstrom and Jevon D. West, Allen Lane, 2020.

Dear Sirs,

Ever since mankind misled itself into believing it could use linguistic tools effectively, there has been a lot a bullshit around, I guess. But, surely, it didn’t help that in this Age of Information ever more people found themselves in a position in which they could record, duplicate, retouch and spread whatever bullshit they couldn’t help from being excreted in whatever medium available into whatever sewer that still indiscriminately accepted serious analysis, frivolous fiction, adds, spam and verbal vomit.

In fact, it took me more time to read your book than I wished for after reading its title on Amazon, not due to late delivery (this took one day and seven hours after ordering it), but because it was delivered at a time in which millions of senders where spreading facts, opinions, prognostications, speculations, revelations, and as side effects deep insights in the convolutions of their own minds, with COVID-19 and Trump versus Biden as seemingly venerable triggers for spreading words and figures the world could have done without. It turned out that, being very weak of character, I exposed myself to nonsense about pandemics and vaccines, the Irish Channel, and the trivial spasms of the United States as a democratic World power rather than reading a book that might have offered one a vaccine against self-imposed debilitation.

But now – it’s X-mas – the people of the world rejoice the victory of Biden, the delivery of 60 billion USD worth of COVID-19 vaccines, and – just in time – a 2000-pages agreement between the European Union and the United Kingdom about a disagreement that the newspapers invariably believed to have summarized successfully  in one column, and the 248 channels didn’t offer any X-mas movie I hadn’t seen a couple of decades ago, so now finally, I had the time to read your book.[1]

Well, your book is entertaining enough to remain readable to near the end. Moreover, it contains illustrative examples some of which may be new to some readers. And, to avoid any misunderstanding, your aim to fight bullshit is praiseworthy. But as an analysis of bullshit, or nonsense, or baloney, it has shortcomings that, all things considered, render its publication superfluous.

One shortcoming is that the main effect of excursions the purpose of which appears to be to give the reader a deeper insight into matters, is that the reader gets distracted. For example, I was intrigued by your story about mantis shrimps and Corvidae (page 4 and onwards). Examples taken from biology have an intrinsic qualify to stupefy readers, especially those readers who have convinced themselves of either the truth of evolution theory or the Truth of biblical creation. But the example of devious deceiving ravens leads the reader astray in an analysis of bullshitting. Whatever bullshitting is, it can not be identified with devious deception. To deceit people into believing that all their problems were caused by the Jews – as the Nazis did – or by Muslims – as contemporary populists try to do – is not a case of bullshitting. Although bullshit may be instrumental in being deceptive, it is neither a necessary nor a sufficient condition for deceitfulness. Given this, it makes little sense to throw in shrimps and ravens into the bullshit-equation. Moreover, the example is counterproductive since the deceitfulness of ravens is allegedly a feature that has been evolutionary beneficial to the species. The example could have been used in an analysis that sets out to defend bullshit or reinstate it as a venerable feature of mankind. But as far as I have understood your purpose in writing this book, this is what you have been aiming at.

Elsewhere you discuss the graph that allegedly shows that being a musician in an ‘old’ genre is safer than entertaining people with a ‘new’ genre (page 126 and onwards). It is fair to suspect that anyone who is confronted with this thesis will immediately rebut that musicians in relatively new genres haven’t had the time yet to become old, if only because in the article surrounding the graph this explanation was suggested. Instead of leaving it at that, you introduce a fictitious research about the lives of a rare species of chameleons in Madagascar to produce an explanation of fictitious data that is identical to the explanation given by anyone of non-fictitious data.

Another shortcoming of your book that the examples given of bullshit cannot be coveted by a definition. Indeed, the train of examples do not lead to a somewhat coherent perspective. Here is a list of the examples of bullshit you discuss in the first three chapters.

  • Deceiving ravens.
  • A study published in The Lancet in 1998 in which it is claimed that it is possible that a specific form of autism is related to a specific vaccine.
  • A story on Twitter about an eight-year-old girl from Sandy Hook Elementary School that was killed in the Boston Marathon Bombing of 2013.
  • Endlessly repeating real or phony news that were introduced on the internet, such as the story that Taylor Swift was dating Joseph McCarthy (page 29) or the story that the Israeli Defense Minister will nuke Pakistan (page 30) or Russian propaganda for or against a candidate in 2016 (page 31).
  • Fake reactions to a proposal about net neutrality (page 34).
  • Fake news made to look very real by digital trickery (page 35).
  • Eloquent window dressing of claims that no one understands (page 40).
  • The thesis that cat people earn more than dog people (page 41).
  • A 2016 paper in which it is claimed that machine learning can distinguish criminals from the rest by facial features (page 45).

In later chapters you expand the list of examples in various directions:

  • Confusing correlation and causation (chapter 4).
  • Switching between percentages and percentage points and other elementary mathematics tricks (chapter 5).
  • ‘Mathenis’: concocting formulas that suggest as quantitative relation between factors whereas the relation is – at most – qualitative (chapter 5).
  • Selection bias (chapter 6).
  • Drawing misleading graphs (chapter 7).
  • Overreaching claims about the possibility of machine learning due to overfitting and other statistical traps, including the claim of Wang and Kosinki in 2017 that neural networks can spot sexual orientation better than humans can (chapter 8).
  • The self-fulling bias of machine learning (chapter 8).
  • The failure of Darwinian evolution to account for epigenetic factors (chapter 9).[2]
  • Fraudulent scientists (chapter 9).
  • The prosecutor’s fallacy (chapter 9).
  • P-hacking (chapter 9).
  • Publication bias / the file drawer effect (chapter 9).
  • John Ioannidis’ 2005 article on the file drawer effect (chapter 9).
  • Clickbait science (chapter 9).

Whereas at some point (I haven’t found the page yet) you suggest that the geocentric perspective on the universe can be classified as a case of bullshit (…still looking…).

If bullshit is to be identified on the basis of these examples, you have created for yourself a very tall order for the chapters 10 (“Spotting bullshit”) and 11 (“Refuting bullshit”). Spotting bullshit would amount to spotting the truth and nothing but the truth. And in refuting bullshit you would take the burden upon yourself to show to everyone, including fervent believers in some piece of bullshit, that they have not just been wrong but been bullshittingly wrong. It seems to me that you are too knowledgeable to believe that you are able to spot the truth and nothing but the truth. In case you do believe to be able to succeed where no man succeeded before, I have to be rude on the second account: no one ever succeeded getting a believer in bullshit to stop believing the bullshit.

However, there is reason to hold that you need not fill in an order that is thus tall. Though you seem to be convinced that your book is about one phenomenon that can be circumscribed somewhat neatly, viz. bullshit, the examples of bullshit point towards various phenomena that are very loosely related at most. For instance, it is undeniable that the internet is a factor in spreading falsities and nonsense. Though I understand that in writing a book on bullshit you felt the urge to get into the nonsense that is spread over the asocial media, I am missing the analytical point of doing so. After all, it is equally undeniable that science has been instrumental in spreading both nonsense and veracities.

Let’s take the example that I have not yet traced back in your text. True, the geometric perspective on the universe is at odds with current astronomy. But one can acknowledge that the geocentric perspective is not true or – more precise – is not the best way to account for the empirical data, without holding that those who believed in it were bullshitting. In general, most ideas about reality many of our contemporaries are inclined to classify as nonsense, had a strong grip on the minds of both earlier generations and other contemporaries.

Similarly, though phenomena like p-hacking, publication bias and distorting data in visualization deserve it to be exposed and deconstructed, to dub them ‘bullshit’ is not an effective means to that end. Alas, most contemporary scientists have surrendered themselves to the publish or perish dogma. The side effect of this dogma is that the focus of science has shifted from correspondence to the data to approval by peers.[3] Approval by peers, however, has a terrible bad track record as a guidance to truth.

While you do not seem to have appreciated the abyss of approvability in current science, and possibly as a consequence of this oversight you are mistaken in believing that fraudulent scientists are selling bullshit. Consider the case of Diederik Stapel.[4] It is apt that the Stapel-affair is mentioned as a case of scientific mishandling of the data. Unfortunately, most commentators have led themselves be misled into believing that Stapel was the culprit. If there is any truth in the idea of ‘objective science’ and the idea that science develops thru replication, it wouldn’t have mattered much whether Stapel had invented his data or had used real data. In either case the merits of his analyses – or their lack of merits – would have surfaced in further research by colleagues. However, in this age of ‘science by approval’ hardly any scientist invests time, energy, and funds in replicating endeavors. Such investments make no sense any longer since (i) a scientist cannot get much approval by his peers by reproducing the results of others, and (ii) science has left the areas where data can be somewhat decisive regarding the truth of scientific theory. To put it bluntly, if people who intend to be serious about science are willing to consider social psychology a case of proper science, anything goes. The bulk of contemporary science is bullshit. That most scientists try to behave according to the ‘scientific method’, is inconsequential.

On a more serious analytical level, your perspective on data analysis is incoherent. True, many promises of Big Data, Artificial Intelligence and Machine Learning are somewhat nonsensical. And, indeed, chances are slight that an algorithm that processes garbage will produce analytical jewels. But while rehearsing the ‘garbage in, garbage out’-meme, you fail to appreciate that science proper aims to do precisely what this meme deems impossible: to get fine, analytically pristine results from sloppy, seemingly worthless data.

Though it is tempting – and not unfashionable in popular lectures – to depict the difference between, say, Peter Norvig and Gary Smith as a shadow of the rift between seventeenth century empiricists and their rationalist counterparts, there is a common denominator in empiricism and rationalism from, say, Decartes and Locke to, say, Quine and Chomsky. This common denominator is that science has to deal with data, with ‘what is given’. Originally, empiricists overrated the purity of data whereas rationalists underrated their richness. Throughout the often exaggerated difference between empiricists and rationalists, the common core was that in dealing with the data a scientist could not excuse himself for producing wrong, incoherent or inconsistent theories by just saying that the data given to him were sloppy, one-sided, ambiguous or biased. The main if not the sole task of a scientist is to get proper results from data, no matter how sloppy they are.

Around 1660 the symbiosis of the rationalistic and empiricist perspective was formulated in a little essay that was published posthumously in 1677 in Opera Posthuma of the Dutch sceptic Benedictus de Spinoza. In his Tractactus de intellectus emendation he put forward the strong – though not yet proven – thesis that, no matter the idea one sets out with and no matter what data one is given, bullshit will defeat itself in the end. If one pursues bullshit indefinite, it will be exposed as bullshit. This thesis was later taken up by philosophers and scientists as diverse as G.W.F. Hegel, Charles Darwin, Karl Marx, Charles Sanders Peirce, Ludwig Wittgenstein and W.V.O. Quine. The idea underlying this thesis is that truth and falsities are distinguished by a marker that need not be explicit. Whereas current techniques of machine learning and deep learning heavily rely on explicit markers – the tags of the training data – skeptics in the empiricist tradition insist that empirical knowledge cannot depend crucially on explicit markers, because the data presented to the senses do not come with explicit markers. On some level learning is a tag-less process.

If this is so, bullshit will be tag-less, too.

This in itself – the inadequacy of your analysis of bullshit, knowledge and science – does not support the verdict that the publication of your book is superfluous. The main obstacle for books that try to fight bullshit and other mistakes is that they are not consumed by those whose ideas are most in need of being corrected. This very large group does not consist solely of conspiracy theorists, creationists or white supremacist. A couple of months ago I tried to explain to a journalist that the ‘results’ of Wang and Kozinski should not be taken for granted – and that the rumors about the Chinese government using facial recognition software to read the emotions of the faces of certain Islamic minorities in China were urban myths that had been abstracted from companies that tried to sell facial recognition software – but this attempt was to no avail. Similarly, it is of no use to point out to journalists, consultants or renowned experts in privacy laws that the definition of ‘personal data’ in the GDPR is analytically unsound because a simple and unequivocal term like ‘personal data’ is defined by means of a very difficult and ambiguous term like ‘information’.

Your book makes a nice gift for people who consider themselves to be rational. Unfortunately, to consider oneself rational is itself a paradigm of bullshit.

Dr. W.W.

December 27th, 2020

Vught, The Netherlands


[1] To be fair and veracious, I have seen a couple of oldies on DVD while stuffing myself with glorified X-mas dishes, viz. Billy Wilder’s Witness for prosecution (1957), Joseph L. Mankiewicz’ version of Sleuth (1972) and Robert Aldrich’s vilification of Mike Hammer in Kiss me deadly (1955). Speaking about bullshit, rumor and serious talk has it that in between 1955 and 1997 Aldrich’s movie hasn’t been showed with the original and intended ending in which Mike and Velda flee the bungalow and look back at its exploding from the relative safety of the ocean. Allegedly, Glenn Erickson recovered the original ending in 1997 after which the full version was distributed on DVD. Though Erickson undoubtedly has recovered clips from files and has restored them in the copies that circulated in the United States, the original version has stayed in circulation in Europe since the fifties. At least, that is my deduction from the fact that the version I have seen of Kiss me deadly on a German TV-channel (ZDF) in the seventies included the narrow escape of Mike and Velda.

[2] Though it is not clear whether you consider this failure to be a case of bullshit, it is certain that there are numerous evolutionists around who consider epigenetics to be a case of bullshit.

[3] This shift to approval by peers has reinstated the idea of ‘probability’ to its original meaning. Cf. Ian Hacking, The emergence of probability, Cambridge University Press, 1984 (original edition).

[4] Being familiar with the corridors of Tilburg University, I have followed Stapel’s successful attempts to get the attention of the media and his later downfall when the media found that they had tried to increase their rating with the help of his alleged analyses of his concocted data.

NL in herstel

Geachte heren en dames deskundigen en denkers in diverse disciplines van Herstel-NL,

Ik ben geneigd u te volgen in uw stelling dat het huidige kabinetsbeleid inzake de CoVid-19-pandemie aan redelijkheid te wensen overlaat. Omdat in zeer veel andere landen ongeveer hetzelfde beleid wordt gevoerd, is het verval van de rede evenwel geen unieke ‘Hollandse ziekte’.

Tevens ben ik geneigd u te volgen in uw stelling dat beleid inzake CoVid-19 in hogere mate risicogestuurd zou moeten zijn, mede omdat de meeste overheden er tot dusver niet in zijn geslaagd een redelijke balans te vinden tussen paniekzaaien en pappen-en-nathouden.

Bij uw oplossingsroute zou ik een kanttekening willen plaatsen. Uw visie op de oplossing sluit aan bij de visie die eind februari 2020 circuleerde onder Britse epidemologen: idealiter zouden in Engeland alle leden van risicogroepen tijdelijk moeten verhuizen naar een streek rond Inverness en zouden alle andere Britten elkaar zo snel mogelijk moeten besmetten in de route naar ‘kudde-immuniteit’. Deze oplossingsroute – mits praktisch bewandelbaar – zou niet onredelijk zijn, ware het niet dat  reeds  in februari 2020 duidelijk was dat de immuniteit tegen CoVID-19 van tijdelijke aard zou zijn. De data die na februari 2020 zijn verzameld door de tientallen duizenden onderzoekers die daarover inmiddels een half miljoen min of meer wetenschappelijke artikelen over hebben gepubliceerd, hebben tot nog toe de hypothese van tijdelijke immuniteit niet weerlegd. [Dat de heer Van Dissel rondbazuint dat inmiddels bijna twee miljoen Nederlands immuun zou zijn, laat zich bijna als een strafbaar feit aanmerken.] Evenmin is er reden te denken dat een vaccinatieprogramma zou kunnen resulteren in een significante mate van ‘kudde-immuniteit’ omdat tegen de tijd dat zo’n programma over een voldoende groot deel van de bevolking is uitgerold, het effect van de vaccinatie voor een deel van de gevaccineerden zal zijn uitgewerkt.

Wat dan wel de goede/de beste oplossingsroute zou kunnen zijn uit de Covid-19-fluctuaties, daarover hebben de afgelopen maanden al zoveel deskundigen en denkers in diverse disciplines hun licht laten schijnen, dat ik mij terugtrek in de knusse beslotenheid van mijn sceptische bubbel opdat de levensangst van mensen die naar deskundigen en denkers in diverse disciplines menen te moeten luisteren, niet nog weer verder toeneemt.

Ik kan mij evenwel niet vinden in uw stelling of aanname dat de wijze waarop in deze pandemie moet worden gehandeld, bepaald moet worden door een soort Brede Maatschappelijke Discussie.  Een pandemie schijnt mij toe typisch een situatie te zijn waarin een kabinet daadkrachtig door moet pakken, zonder zich al te veel gelegen te laten liggen aan het oeverloze gezemel waarin democratisch-opgezette processen doorgaans vastlopen.

Met vriendelijke groet,

Dr. W.W.

Anti-semitisme aan de Leidse universiteit?

Geachte heer Stolker,

Naar aanleiding van het bericht dat de Universiteit Leiden onderzoek gaat doen naar antisemitische onderstromen binnen de universiteit, hetwelk een aanleiding lijkt te hebben in het rumoer rond de heer Baudet, hecht ik eraan in uw richting terug te koppelen.

Ter vooraf: het schijnt mij toe dat er te snel en te veel met pejoratieve ‘ísmes’ wordt gestrooid en daar te veel en te langzaam naar wordt gezocht. Te langzaam omdat wie door blijft zoeken, kan en zal vinden. Vanuit cinematografisch perspectief: Oliver Twist (1948) van David Lean was in talloze opzichten een hoogstandje, maar wie dat wil, kan betogen dat de vertolking van Fagin door Alec Guiness een antisemitisch randje had, en dan de verguisende lijn terug trekken naar Charles Dickens. En er waren er kennelijk die dat wilden want die lijnen zijn getrokken en dat heeft geresulteerd in een indrukwekkende delta met uitlopers tot in academische proefschriften.

Zo’n delta is er ook rond Gone With The Wind (film 1939, boek 1936) waarin de slavernij in het zuiden verheerlijkt zou zijn geworden, That Touch of Mink (1964) omdat die film niet LGBTQ-proof zou zijn, en Breakfast at Tiffany’s (1961) omdat de karikaturale Japanner die Mickey Rooney daar neerzet natuurlijk niet alleen heus echt, tja, te karikaturaal was, maar vooral ook omdat die Japanner gespeeld werd door een acteur die geen Japanner was. U en ik gaan het misschien nog meemaken dat een of andere intellectueel in een dik boek – waarvan dan een drieregelige samenvatting op het internet gaat rondzoemen – betoogt dat Keetje Tippel (1975) of Klute (1971) verboden moet worden omdat Monique van de Ven en Jane Fonda niet daadwerkelijk heus prostituees waren.

Voor veel mensen – en dat lijken er absoluut en relatief steeds meer te worden – lopen fictie en werkelijkheid zozeer door elkaar dat ze hun tijd verdoen aan het mopperen over misstanden en schokkende ‘ismes’ in boeken en films in plaats van zich druk te maken over misstanden in de werkelijkheid…

Wie zich druk zou willen maken over iets isme-achtigs in ‘platte’ cultuuruitingen, zou zich drukker moeten kunnen maken over isme-achtige teksten in boeken en artikelen die in universiteitsbibliotheken staan. In de afdelingen Rechtsgeleerdheid en Filosofie zijn er nauwelijks teksten te vinden die in alle opzichten vanuit elk perspectief in elk tijdsgewricht politiek correct bevonden zouden worden. Zo schijnt David Hume vrouwen niet serieus genomen te hebben, terwijl Jean-Jacques Rousseau … – nou ja, het werk van die man zowel vanuit linkse als rechtse hoek hetzij op de brandstapel hetzij in een goudgerande vitrine. Wie in het academische nadenkt, begint – zoals veel films en boeken – vanuit zwaar aangezette karikaturen om – zoals in veel films en boeken – uit te komen in een nacht waarin bijna alle koeien bijna grijs zijn.

Ter afronding van het voorafje: zelf behoor ik tot de ‘behavioristische school’ die volhardt in de (waan?)idee dat schelden geen zeer doet, maar klappen wel. Mocht zich de tamelijk onvoorstelbare situatie voordoen dat ik iemand op de muil ram daarbij uit het strottenhoofd klanken persend als ‘jood’, ‘homo’, ‘hetero’, ‘zwartnek’, of ‘dom wijf’, dan zou ik mij neer kunnen leggen bij een veroordeling vanwege mishandeling. Maar als de rechterlijke macht begint te koeren over dat er sprake is van een handeling uit racistisch of seksistisch motief, dan hoop ik dat de rechterlijke rollen relatief lege zijn want dan gaan we daar nog eens een paar jaar over bakkeleien. De rechtsstaat komt geen gezag toe over klanken, tekens of gedachten; die moet zich beperken tot het controleren van lichamelijk gedrag.

Nu die behavioristische kaart op tafel is gelegd, stel ik – ogenschijnlijk desalniettemin – dat de heer Baudet geen fris persoontje is, en dat dat afstraalt op degenen die hem in zijn wandeling door academische gangen niet gestopt hebben. Wie daar een isme-etiket op wil plakken, al dan niet door ‘guilt by association’, is daar natuurlijk vrij in. De onfrisheid van de heer Baudet zit vanuit mijn perspectief evenwel in het feit dat zijn denken niet van voldoende academisch niveau is.

Dat dat niet is opgemerkt toen Baudet door de Leidse universiteitsgangen liep, rechtvaardigt alleszins nader onderzoek.

Erop vertrouwend hiermee relevant aan u teruggekoppeld te hebben,

Met vriendelijke groet,

Dr. W.W.

ZEMBLA over Haagse bijbaantjes

Geachte mevrouw Blaas,

Met belangstelling heb ik naar de aflevering van Zembla van 12 november 2020, getiteld ‘Haagse bijbaantjes’, gekeken, over tweede kamerleden die hun nevenactiviteiten niet of niet goed hebben laten vastleggen in de register. Mijn dank ook voor de lijst van bevindingen . Het is leuk te weten dat een kamerlid van GroenLinks aan huisjesmelken doet, de heer Ojik niet bekend is met de verplichting tot het deponeren van jaarrekeningen, mevrouw Sazias een greep uit haar eigen pensioenvoorziening heeft moeten doen, en Thierry Bidet niet aan de griffie heeft gemeld dat zijn politieke nevenactiviteit enkel bedoeld is om de revenuen van zijn B.V. op te krikken.

Heel goed dat door uw uitzending Kamerleden ermee zijn geconfronteerd dat zij zich niet aan de door henzelf opgestelde regels houden. Waarbij zij opgemerkt dat naarmate hun nalatigheid vergeeflijk is, de druk op hen om terug te treden zwaarder wordt. Immers, als een Kamerlid bewust de regels ontdoken heeft, dan kan dat Kamerlid althans niet de vorm van intelligentie ontzegd worden die in de volksmond wordt aangemerkt met ‘sluwheid’.  Kamerleden die uit onwetendheid of uit domheid de toch niet echt complexe ‘register-regel’ niet hebben gevolgd, horen niet thuis in een orgaan waar soms toch heus belangwekkende beslissingen over complexe aangelegenheden moeten worden genomen. De huisjesmelkster van GroenLinks mag wat mij betreft blijven, maar de heer Ojik zou de eer aan zichzelf moeten houden.

Helaas, gesteld dat alle Kamerleden zich keurig gaan houden aan de al dan niet aangescherpte ‘register-regel’, het zou weinig kunnen bijdragen aan het integriteitsgehalte van de volksvertegenwoordigers. Een nevenfunctie geeft – gemeld of niet gemeld – in de meeste gevallen niet meer dan een schijn van belangenverstrengeling. Integriteitsonderzoekers slaan daarop aan, op die schijn, en voor integriteitsonderzoekers is het niet melden van een nevenactiviteit die de schijn van belangenverstrengeling kan wekken, dan meteen een zeer ernstig probleem. Want een Kamerlid dat een activiteit niet meldt die de schijn van belangenverstrengeling kan wekken, wekt de schijn dat er meer aan de hand is dan enkel schijn.

Protocollen voor nevenfuncties van Tweede Kamerleden – hoe terecht ook – leiden de aandacht af van het feit dat nagenoeg alle Tweede Kamerleden directer het algemeen belang wurgen met hun eigen belang.

Neem de oeverloze en bijna steeds niet de wal rakende discussie over de hypotheekrenteaftrek. Zeer veel Tweede Kamerleden hebben een eigen woning en alle Tweede Kamerleden zitten in de hoge belastingschaal. Ook wie er niet voor heeft doorgeleerd, kan inzien dat de hypotheekrenteaftrek ertoe leidt dat inflatie wordt opgeslagen in de prijzen van koopwoningen terwijl de huren in de sociale sector bovenmatig stijgen. De discussie over de hypotheekrenteaftrek wordt echter steevast afgebroken met de voor de meeste Kamerleden niet belangenloze constatering dat het afschaffen van die eigendomssubsidie de prijzen van koopwoningen zou doen kelderen. Het is daardoor nog steeds de enige sector in de economie waarvoor prijsstijgingen door de ganse maatschappij – minus degenen die in de sociale huurwoning zitten – als positief worden ervaren.

Daarentegen zitten er in de Tweede Kamer – als we al die pensioen- en lezingenBV-tjes buiten beschouwing laten – weinig mensen die ooit ondernemer zijn geweest. Daardoor verstaan de meeste Kamerleden het verschil tussen een ondernemer en een werknemer niet, en vinden ze het maar oneerlijk dat ondernemers fiscale voordelen genieten die werknemers niet hebben. Zelfs Kamerleden die de vennootschapsbelasting naar nul willen brengen, willen van de fiscale voordelen voor zelfstandigen af.

Uit integriteitsoogpunt zouden de meeste Kamerleden zich bij de meeste onderwerpen moeten ‘recuseren’, hetzij omdat zij er een direct belang bij hebben hetzij omdat zij er geen belang bij hebben de belangen van degenen die directe belangen hebben te behartigen.

Ooit – ik was toen bijna nog niet geboren – werd de vorstelijke schadeloosstelling van Kamerleden beargumenteerd vanuit het oogmerk dat Kamerleden onafhankelijk en in een zekere maatschappelijk-materiele welstand het algemeen belang zouden moeten kunnen dienen. Nu – ook met een gemiddeld jaarinkomen van 116.000 euro – gebleken is dat Kamerleden het algemeen belang niet echt belangenloos kunnen dienen, is dat argument definitief weggevallen. De schadeloosstelling voor Tweede Kamerleden kan teruggebracht worden naar, zeg, modaal. Dat is ruimschoots voldoende voor wat in de kern ongeschoold werk is.

Met vriendelijke groet,

Dr. W.W.

Some non-conspiratorial feedback from The Netherlands

Dear CNN,

Being a frequent and persistent watcher of CNN – ever since the first bombs on Bagdad – I feel obliged to confide to you that your coverage of that silly and possibly dangerous narcissistic clown at the WH is as silly, possibly dangerous and narcissistic as its object. Like most other media – including the debilitating asocial media – CNN appears to have decided to confine communication to babbling within its own bubble, the coverage of the election of 2020 being a case in point.

A well-intended advice: at the next election CNN should start the coverage only after all the votes and ballots are in and have been counted. That saves a lot of ‘bullshit’.#

With kind regards, Dr WW

# ‘bullshit’ in the senses of Carl T. Bergstrom and Jevin D. West, Calling Bullshit, The art of scepticism in a data-driven world, Allen Lane, 2020.

De oppervlakkigheid van TV-komieken

Lollig, dat Zondag met Lubach van 18 oktober 2020 met grapjes over complotdenkers en mensen die Rutte uitschelden voor “p***fiel” en zo.

Twintig minuten daarover doorrazen is wel wat veel, mede doordat de grappen en grollen steeds over dezelfde tien, twaalf personen gaan. Omdat dat dozijn denkers zelf filmpjes maken van hun scheldpartijen en die filmpjes zelf op YouTube zetten, zou je als toeschouwer kunnen denken dat er in Nederland inderdaad ongeveer twaalf complotuitdiepers zijn. Maar Lubach benadrukt dat die filmpjes door wel 600.000 mensen bekeken worden. En bovendien, aldus Lubach op gezag van enkele krantenkoppen, 1/6 of 1/7 van de Nederlanders gelooft dat farmaceuten virussen verspreiden om medicijnen te kunnen verkopen; en 1/6 of 1/7 van de Nederlanders gelooft dat de elite of de overheid of een van de twee berichtgeving tegenhoudt die de overheid of de elite onwelgevallig is.

Lubach vergat te melden dat 1/6 of 1/7 van de Nederlanders of misschien veel meer of niet veel minder nog in een of meer goden geloven. Ook schijnen er dagelijks 10.000 mensen in Nederland naar het programma Ancient Aliens op History Channel te kijken. Waaronder ikzelf. Het is een fantastisch programma waarin altijd wel twee of drie feitjes zitten die de wetenschap nog niet volledig heeft weten te verklaren. Het is machtig mooi om te zien dat dan ook ongeveer een dozijn auteurs/onderzoekers/archeologen of pseudo-auteurs/pseudo-onderzoekers/pseudo-archeologen uit de twee of drie feitjes weten te deduceren dat de aarde ooit bezocht is door buitenaardse wezens, of nog steeds door buitenaardse wezens bezocht wordt, of – dat is weer een andere variant – dat wij evenals octopussen en die zeedieren die oneindig oud kunnen worden, zelf buitenaardse wezens zijn.

Als Lubach die kijkcijfers zou kennen en zou weten dat ik dat programma volg, zou die vast denken dat ik ook in bezoekingen van buitenaardse wezens geloof…

Welbeschouwd spreekt uit het lollige stukje van Lubach vooral diepe minachting voor complotdenkers en verder voor iedereen die zich niet voegt in de ideeënstroom van de elitaire meerderheid. Die complotdenkers en die andere dwazen dat zijn mensen die slaafs de autoplay-adviezen van YouTube volgen en dan ook nog denken dat ze daarmee serieus onderzoek aan het doen zijn. Verstandige, redelijke mensen zoals Lubach en de leden van zijn schrijversteam doen dat niet. Die laten zich niet door de algoritmes van Google sturen maar gaan zelf op onderzoek uit.

Het roept bij mij herinnering op aan het slot van een cursus over filosofie waarin werd ingegaan op het feit dat mensen zich plegen op te sluiten in bubbles van gelijkdenkenden: “Bubble-gespetter doet zich voor als de een de ander de les gaat lezen, ‘de maat gaat nemen’.” Waarna de cursus werd afgerond met de bijna Kantiaanse imperatief: “Blijf er altijd van uitgaan dat je je kunt vergissen.”

Nu is het programma van Lubach een stukje lokaal vermaak met zeer beperkte maatschappelijke consequenties. Ondanks alle grappen en oproepen van Lubach, bestaat Facebook nog steeds en is Facebook nog steeds groeiende. Dat Google een paar filmpjes van een Nederlandse complotdenker van YouTube heeft gegooid zal ook niet door het programma van Lubach zijn ingegeven. Google was toch al bezig met wat complotdenkers van YouTube te mieteren, waaronder de complotdenker die in het programma van Lubach prominent figureerde, want Google weet inmiddels dat dit soort filmpjes de omzet niet verhoogt.

Ernstiger is dat Lubach een kloon is van Amerikaanse komieken en dat de Amerikaanse komieken bezig zijn met hun grappen en grollen een tijdbom te plaatsen onder althans de Amerikaanse ‘democratie’.

Dat zit zo.

Hoewel president Obama mogelijk een zeer integere persoon was die het beste met de VS voor had en ook niet alleen maar verkeerde dingen heeft gedaan, was zijn presidentschap allerminst een succes. De meeste buitenlandse problemen zijn blijven liggen en de binnenlandse problemen zijn met lapmiddelen als kwantitatieve verruiming afgepoetst of weggetoverd met trucjes om maatregelen door de senaat gewrongen te krijgen terwijl op voorhand vast stond dat een Republikeinse opvolger dat dan weer terug zou gaan draaien. De belangrijkste ‘misser’ van Obama was dat de VS aan het einde van zijn presidentschap niet minder verdeeld was dan aan het begin van zijn presidentschap en dat de rol van huidskleur in die verdeeldheid eerder groter was geworden dan kleiner. Kon Obama weinig aan doen. De VS is nu eenmaal een land waarin 95/100 van de bewoners nog in goden geloven, en waar het bedenken van het woord ‘complotdenken’ niet helpt tegen het complotdenken.

Een wel aan Obama verwijtbare dingetje was dat hij bij een babbeltje voor wat journalisten Donald Trump inwreef dat Obama de president was en Trump niet. Als Obama niet lollig had proberen te zijn, was de wereld het presidentschap van Trump bespaard gebleven. Nu ja, het hielp ook niet dat de democraten in 2016 een kandidaat naar voren schoven die door een deel van de democratische achterban gehaat werd…

De Democraten zijn zeer slechte verliezers gebleken. In plaats van te accepteren dat uit de verkiezingen een president naar voren was gekomen met een sterk-narcistisch maar in theorie goed manipuleerbaar karakter, en dat rare Trump-mannetje een beetje presidentje te laten spelen, zijn ze blijven doorzeuren over de ‘popular vote’, Russische complotten, en het dreigend nepotisme, onderwijl alles wat Trump deed of zei afwijzen en bespotten. Dat is – althans volgens de handboeken – precies wat je niet moet doen bij sterk-narcistische personen want die voelen zich dan gekrenkt en als narcisten zich gekrenkt voelen en dan ook nog in een positie van macht zitten, dan houd je de poppen aan het dansen.

De Amerikaanse komieken – Trevor Noah, Jimmy Kimmel, Stephen Colbert, John Oliver enzovoorts – stookten het vuurtje vrolijk mee op. Sommigen hadden voor 2016 Trump in hun shows ontvangen als aberrante smaakmaker. Vanaf 2016 werd Trump voor hen de vaste ‘prűgelknabe’. Niet alleen over Donald J. zelf, maar ook over zijn zonen, zijn dochters en zijn vrouw werden grapjes gemaakt waarvan de ranzigheid ooit heftige verontwaardiging bij de elite en zichzelf respecterende intellectuelen zou hebben opgeroepen. Nieuwszenders als CNN deden mee in dat spel, zij het dat die de schijn ophielden aan serieuze journalistiek te doen bij het verspreiden van al die triviale anekdotes over Trump. Nadat de pogingen van de Democraten om Trump in de lijnen van de macht te laten struikelen, waren mislukt, gleed het verder af. Inmiddels is het een vaste meme van de ‘Democratische’ media in de V.S. geworden Trump te beschuldigen van de 220.000 (and counting) Amerikaanse doden door COVID-19 en ook van de nadelige effecten van COVID-19 voor de Amerikaanse economie. Alsof Trump de Trolley eigenhandig heeft gesplitst en langs beide sporen slachtoffers heeft laten maken. Wie de data bekijkt, ziet vooral dat het vrij weinig uitmaakt wat regeringsleiders doen of laten: nagenoeg overal waar de westerse democratie scepter zwaait, woedt de pandemie al golvend voort, zowel in de medische als in de economische gevolgen. In tegenstelling tot de meeste andere Westerse regeringsleiders heeft Trump als president van de V.S. weinig te vertellen over wat er in zijn land gebeurt. De V.S. is een federale bondstaat: bijna alles op het gebied van gezondheid en openbare veiligheid, wordt beslist door de staten afzonderlijk. Al had Trump vanaf COVID-19-Dag-Een een mondkapje gedragen, het zou weinig hebben uitgemaakt. Het enige wat Trump in negatieve zin onderscheidt van al die andere regeringsleiders die COVID-19 niet krijgen ingedamd, is dat Trump een spoor van bizarre opmerkingen over COVID-19 in de media heeft achtergelaten. Het is een raar mannetje. Maar dat wisten we dus allemaal al een paar decennia geleden…

Nu zou ook dit – het eindeloos belachelijk maken van een lachwekkend mannetje – onschuldig vermaak kunnen zijn gebleven als de lollige aanrandingen van Trump de toch al diepsnijdende verdeeldheid in de Amerikaanse samenleving niet nog verder zouden hebben verscherpt. Inmiddels hebben zich aan beide zijden van de scheidslijn complotdenkers verzameld die hun aversie en wantrouwen jegens de andere kant met retoriek en zelfs met ‘objectieve’ data hebben onderbouwd, uitgebouwd en ingebouwd. Je mag het niet zeggen of denken, maar je zou bijna hopen dat Trump in november 2020 herkozen wordt, zowel volgens de ‘popular vote’ als volgens de ‘electoral vote’. Joe Biden beschikt vast over het vermogen om binnen de elite in Washington en langs de internationale smeerolie-lijnen iets van de door Trump versterkte spanningen weg te masseren. Het lijkt evenwel illusoir te denken dat hij de verdeeldheid binnen de Amerikaanse bevolking weggepolijst kan krijgen. Daarvoor is die verdeeldheid te diep, terwijl Biden natuurlijk evenmin als Trump oplossingen heeft voor de pandemie of de structurele fouten in het Amerikaanse economisch-monetaire systeem.

Misschien is zo’n malloot als Trump in deze fase de enige die als president de verdeeldheid in de VS kan herstellen doordat op enig moment alle complotdenkers, niet-complotdenkers en niet-denkers zich van zo’n man zullen willen distantiëren.

Ondertussen vergen lolligheden geen diepgang.

Terugkoppeling bij de coronastorm

Vught, 7 juli 2020

Geachte heer Ten Bos,

Financieel is het hachelijk, uw boekje kopen. Lang voordat de waanzin-pandemie tot de krantenkoppen doordrong, waren ze in Den Haag en omstreken al zo wijs de fiscale regels rond zelfstandigen bij te stellen. (Ik ga het nu niet uitleggen, maar het zzp-probleem en al het gezeur daarover hebben we te danken aan het feit dat de Belastingdienst niet ingreep toen allerlei witteboorden-organisaties de toch al wel bijna overtollige managers outsourcete naar het zelfstandig ondernemerschap en vervolgens voor twee dagen in de week inhuurde om in hetzelfde kantoor hetzelfde werk niet te doen.) De eerste bijstelling – de aanpassing van de zogenaamde kleineondernemersregeling – kost een ‘kleine zelfstandige’ die niet alleen op papier bedrijfskosten maakt zo’n 2.000 euro netto per jaar. Theoretisch kan er dan geen R&D-budget meer overblijven…

Edoch, de ondertitel van uw boekje De Coronastorm, “hoe een virus ons verstand wegvaagde” bleef lonken en om de een of andere reden (typefoutje?) was RNA Viruses, Host gene responses to infections onder redactie van Decheng Yang bij Amazon voor 16 euro verkrijgbaar (inmiddels is de prijs bij Amazon aangepast) en met enkel het recente boekje van David Quammen in de bol.com-boodschappenmand werd de ‘geen verzendkosten’-grens niet bereikt, dus ik dacht, hup, dan ook maar eens zien waar ons verstand volgens René ten Bos is heengewaaid…

Ik heb uw boekje vannacht doorgenomen…

… “lezen” is een te groot woord, het is best mogelijk dat bijvoorbeeld Ernst Bloch die van 1885 tot 1977 geleefd schijnt te hebben en in dat leven zowel een carrière als theoloog als een bestaan als neomarxist heeft weten te proppen, zeer interessante zaken heeft geschreven, gezegd of gedacht over het begrip Hoop want een neomarxistische theoloog moet daar dubbele expertise in hebben, maar als ik zou willen weten wat iemand die deel III van Peter Jacksons Lord of the Rings-trilogie niet gezien kan hebben over hoop gedacht, gezegd of geschreven heeft, en dus niet weet dat Gandalf over dat onderwerp niet anders dan repetitief kon worden, dan zou ik uit eerbied voor Ernst Bloch een tekst van Ernst Bloch moeten lezen, of dan toch tenminste de wikepedia-pagina over hem moeten doornemen (volgens de Nederlandse internetencyclopedie was hij een atheïstische theoloog, volgens de Engelse een filosoof). Maar als de kernpassage in zijn boek over de Hoop de zin is die u op pagina 79 hertaald, dan neemt mijn lust daartoe allengs af. Voor Kierkegaard (over Angst) en Levinas (over Moraliteit) ligt het anders, want die heb ik hier vernederlandst in de kast staan en dan mogelijk deels gelezen of doorgenomen of doorgekeken, en het is niet onaardig om de regel- en bedilzucht die in deze tijd van ‘coronafascisme’ doorgaat voor moraliteit te oppositioneren met Levinas’ deconstructie van deontologie. Uw summiere oppositionering eindigt evenwel met dat ‘beroemd onderscheid’ tussen ‘andere’ (autre) en ‘andere andere’ (autrui), en dat slaat dood. Dat maakt continentale filosofen zo vermoeiend-onleesbaar: ze zetten soms vensters voor het denken open, of realiseren althans een verbluffend lichteffect, maar dat verruïneren ze dan door woordspelingsfetisjisme dat lezers die al dan niet de pointe van het lichteffect gevat hebben aanzet tot scholastistieke nawauwelarij.

Om mijn gedachten weer tot leven te wekken, sla ik hier nu de (Engelse versie van de) meditaties van Marcus Aurelius ongericht open en lees: “On death. Either dispersal, if we are atoms: or, if we are a unity, extinction or a change of home.” (Penguin Classics-editie, pagina 89) Ik claim niet dat Marcus Aurelius hier een diepzinnige gedachte uitdrukt, ik claim zelfs niet dat hij bij het schrijven van deze zin enige gedachte gehad heeft – kunnen atomen of eenheden denken? –, ik claim enkel dat de zin ook voor niet native speakers van het Engels die dan vast ook geen Latijn zullen kennen, leesbaar is.

Voor het geval mijn verstand nu aan het wegwaaien is: “Disputes with men, pertinaciously obstinate in their principles, are, of all others, the most irksome; except, perhaps, those with persons, entirely disingenuous, who really do not believe the opinions they defend, but engage in the controversy, from affectation, from a spirit of opposition, or from a desire of showing wit and ingenuity, superior to the rest of mankind.”(An enquiry concerning the principles of morals, section I, openingszin). Die had ik even nodig…

… maar het is mij niet duidelijk geworden vanuit welke richting wat in welke richting is weggewaaid noch of we ons daarover zorgen zouden moeten maken en waarom of waartoe. Het is mij zelfs niet duidelijk geworden voor wie of waartoe u de moeite hebt genomen uw corona-alfabet uit te pennen. U en ik weten dat de wetenschap, de filosofie en de cultuur in het algemeen te lijden heeft onder perverse prikkels, een afstompende publicatietraditie en (hierin moet ik u corrigeren) een chronisch overschot aan geld, maar ik sta mij niet toe te geloven of zelfs maar te hypothetiseren dat u uw boekje enkel geschreven hebt om ook een graantje mee te pikken uit de corona-ruif. Maar als het niet die onuitdenkbare drijfveer heeft gehad, welke dan? Als u Giorgio Agamben wilt bijvallen of een van de hielenlikkers van president Macron of president Trump wil tegenspreken dan is het schrijven van een corona-alfabet in de Nederlandse taal daarvoor niet het meest gerede middel. Als u erop wilt wijzen dat er een keerzijde zat aan dat Japanse wonder, dan bent u daar twee decennia te laat mee terwijl Arjan van Witteloostuijn van de Universiteit van Amsterdam de plank natuurlijk volledig missloeg (de belangrijkste factor achter economische groei is inefficiëntie; als u de moeite zou nemen na te gaan wat de omvang is geweest van de investering in ‘the elimination of waste’, dan zou u meteen begrijpen waarom die bureaucratie ook onder het ‘neoliberalistische regiem’ is blijven groeien). Als u in het algemeen wilt afrekenen met al die filosofen of soort van filosofen die de afgelopen maanden de kranten en inmiddels ook nog boeken hebben volgepend om het Grote Corona Gebeuren filosofisch of filosofisch-achtig te duiden, dan kan ik u zonder u een spiegel voor te houden gerust stellen: alles wat Marli Huijer, Frédéric Neyrat, Peter Sloterdijk en al die andere schrijvers die u kennelijk hebt doorgenomen, over het Grote Corona Gebeuren te berde hebben gebracht, heeft in de maatschappij geen pandemisch spoor achtergelaten. Een handjevol mensen die teksten gelezen (of doorgenomen), heeft geknikt toen werd verwoord wat men zelf al had bedacht, heeft het hoofd geschud toen langskwam wat de overbuurman vorige week op anderhalve meter afstand ook al had beweerd, en een enkeling zal in de pen zijn geklommen om via een ingezonden brief, een tegenpamflet voor de redactie van Boom, of – meer gepast – in een e-mail de auteur of autrice of autriX te confronteren. De bubbel waarin de verzetsoproep van Henk Oosterling wegzinkt, is verwaarloosbaar klein vergeleken met de golf die het commentaar van John Oliver heeft bij het aantal gevangenen met corona, en die golf is slechts een rimpeling bij de mogelijkheid dat Davina Michelle nu mogelijk heus doorbreekt op de internationale scene mits ze maar goed blijft luisteren naar haar manager, al hoeft Trump maar 1 keer een mondkapje te dragen en het water van de Nijl wijkt zover uiteen dat de contouren van Pangaea weer zichtbaar worden.

Voor zover er van al dat filosofisch-achtig geschrijf iets achterblijft bij nog niet verwaaide verstanden, dan is het een oneliner als “Deskundigen zijn mensen die hun onwetendheid beroepshalve dienen te verdoezelen”. Dat is op zichzelf wel een leuke titel van uw lemma Deskundigen (heeft u die zelf bedacht?) maar de acht pagina’s tekst die volgen komen daar niet meer bovenuit waardoor u er zeker van kunt zijn dat dat die oneliner ook het enige is dat bij de lezer van uw lemma zal blijven hangen. Daartegenover is de Intimiteit = de vaardigheid om samen te kunnen verglijden te cryptisch om in de geest te blijven hangen ook nadat er een verduidelijking is gegeven vanuit de cultuurvergelijkingen van Francois Jullien. Aan het einde van de hoofdstuk zou een lezer zich af kunnen vragen waartoe die cryptiek en esoteriek diende als u het punt wilde maken dat wreed is om mensen uiteen te drijven op momenten dat ze elkaar nodig denken te hebben.

Mocht u voor toekomstige teksten nog oneliners zoeken, ik doe er u een paar aan de hand:

  • Priesters zijn mensen die hun ongeloof beroepshalve dienen te verdoezelen.
  • Machthebbers zijn mensen die hun machteloosheid beroepshalve dienen te verdoezelen.
  • Schrijvers zijn mensen die hun leesarmoede beroepshalve dienen te verdoezelen.
  • Enzovoorts.

Iedereen streeft ernaar zichzelf voor de gek te houden en door anderen voor de gek gehouden te worden, en dat is het enige streven dat zich ook zonder zuchtende hoop laat realiseren.

Als ik zelf een poging zou doen te onderbouwen dat ons verstand tijdens het Grote Corona Gebeuren is weggewaaid, zou ik geneigd zijn een inventarisatie te geven van de quatsch die de afgelopen maanden over het fenomeen is uitgebraakt. Hoewel hier het geklets van premier Rutte en dat van Van Dissel dankbare objecten zouden zijn, zoomt u in op de complottheorietjes. Dat is een boeiend fenomeen in allerlei uitlopers. Ik betrap me er de laatste jaren op dat ik het abonnement op de televisiekanalen van KPN enkel aanhoudt om naar Ancient Aliens te kijken. Maar ik kan u ook hierin geruststellen. Corona-complotdenkers en organisatoren van corona-party’s vormen een onooglijke, bijna niet waar te nemen minderheid die enkel waargenomen wordt omdat krantenpagina’s en televisierubrieken gevuld moeten blijven worden in de ijdele hoop de leegheid van youtube te evenaren. Met uw redenering zou u ook weinig indruk maken, niet alleen niet op complotdenkers maar evenmin op niet-complotdenkers:

“Bovendien zien ze [bepaalde groepen complotdenkers, Dr. W.W.] af van elementaire kansberekening: de waarschijnlijkheid dat een virus zich op zoönotische wijze verspreidt, moet vele malen groter zijn dan de kans dat het via een laboratorium verspreid wordt, om de simpele reden dat op die vleesmarkten in Wuhan veel meer mensen rondlopen dan in een laboratorium aldaar.” (p. 177)

Misschien, heel misschien, kunt u uitspraken over wat in de waarschijnlijkheidsleer simpele redenen zijn beter overlaten aan deskundigen die hun onwetendheid ter zake beter weten te verdoezelen dan u als welwillende amateur zou kunnen doen.

Nee, met alle respect voor uw denk- en weetpotentie, uw boekje over de coronastorm draagt niet bij aan het luwen van de storm. Behalve wat biografische ditjes en datjes over Ernst Bloch en Cato Maior bevat het boek geen informatie over het fenomeen dat op tafel ligt. Het blijft zelfs onduidelijk welk fenomeen op tafel ligt (corona, de corona-regels, het geleuter of corona, het maatschappelijk effect van corona?). Als een boek geen informatie bevat, kan het enkel bijdragen aan de redelijkheid doordat een min of meer a priori analyse van een concept wordt uitgevoerd, maar daarvan is evenmin sprake. Uw boek is, minder respectvol geformuleerd, een ‘niksertje’.

Gegeven u denk- en kennisniveau zou u beter moeten kunnen. Het laat zich echter betwijfelen dat de mensen die nu in de coronastorm verkeren daadwerkelijk behoefte hebben aan een tekst die het niveau van een columnistieke krabbel overstijgt. De meeste mensen geven, ook in deze coronatijd, de voorkeur aan licht vermaak boven het vermoeiend-sceptisch uitdiepen van onwetendheid.

Eén troost resteert mij: de btw die ik over uw boek heb betaald, is aftrekbaar gebleven van de btw die ik af moet dragen.

Met vriendelijke groet,

Dr. W.W.

Het is oorlog, maar niemand die het ziet?

Geachte redactie,

Op de achterflap van “Het is oorlog, maar niemand die het ziet” zegt Beatrice de Graaf dat het een ‘pageturner’ is, “met helden, schurken, nederlagen en overwinningen”.

Nu had ik er geen flauw idee van wie Beatrice de Graaf is. Begint het ge-google al. Zij – geboren in 1976, op 19 april – schijnt hooglerares aan de Universiteit van Utrecht te zijn en zit op een leerstoel met de titel History of International Relations & Global Governance, heeft ook interesse getoond in terrorisme en is volgens een van de lijstjes van Opzij zo nu en dan een van de 100-invloedrijkste vrouwen van Nederland en – o, zij is geboren in Putten – is bekend van de televisie waar zij regelmatig optreedt als terrorisme deskundige maar zij doet ook dingen voor haar kerk – want lid van de CU, of andersom – en zij schrijft ook stukjes voor NRC.

Dat krijg je, als je geen kranten leest en niet aanschuift bij een van de zeventien dagelijkse babbeltafels op de Nederlandse televisienetten: je moet de mensen die volgens achterflappen op enig gebied in den lande gezaghebbend heten te zijn gaan googlen.

Op de achterflap staat ook een aanprijzing van Matthijs van Nieuwkerk (“Dit is nog beter dan John le Carré, want het is waar.”) maar van hem wist ik dat hij deskundig is in uitleggen waarom Hotel California in een bepaald jaar wel, of juist niet bovenaan de top 2000 moet staan, dus dat zijn intellectuele bagage niet toereikend zal zijn om enig oordeel te kunnen vellen over boeken van John le Carré of boeken van om het eender wie, is evident.

Voorts een tekst die toegeschreven wordt aan De Correspondent, die geen correspondent blijkt te zijn maar een schrijverscollectief dat artikelen die in het buitenland zijn geschreven door echte correspondenten en onderzoekers in Theo Koomen-stijl hertaald naar het Nederlands, en een tekst van Maxim Februari die, nu zij een man is, zich kennelijk genoopt voelt zich voor meer zaken uit te lenen dan toen hij nog een vrouw was.

Maar, tja, volgens de titel of ondertitel woedt er ergens – niet in Jemen, niet in Syrië, niet in de Oekraïne, niet in Sudan, niet in noord-Mexico, en niet op een van die tientallen andere plaatsen waarvan zelfs voor wie geen kranten leest hoorbaar of voelbaar is dat mensen elkaar daar naar het leven staan, maar ergens anders – een oorlog waarvan niemand op de hoogte is, althans niet door middel van het gezichtsvermogen. Behalve Huib Modderkolk, onderzoeksjournalist van De Volkskrant, die de oorlog in dit boek zal gaan tonen. Zo’n boek kun je niet naast je neer leggen, althans niet als je straks – als de coronahype erop zit en iedereen zich heeft neergelegd bij het feit dat een kronkeling van wat chemische elementen de mensheid zo niet vandaag of morgen dan toch overmorgen weg kan vagen en de meditaties van Marcus Aurelius nog weer eens herdrukt zijn – op een door Rutte en de andere anderhalve-meter fetisjisten nog juist toegestaan verjaarpartijtje goede sier wilt kunnen maken…

“Maar Ronald, “ (geboren 17 april 1947, schrijft stukjes voor De Telegraaf),“wist jij dan nog niet dat de wereld in oorlog is? Heb jij het boek van Huib Modderkolk dan nog steeds niet gelezen? Want daarin wordt het getoond, van die oorlog…”

Het boek van Modderkolk is overigens niet geïllustreerd. Behoudens het omslagontwerp van Philip Stroomberg dat een vrouw toont die zit te typen op een schoottop kennelijk niet beseffend dat zij wordt omgeven door een zwarte, tsunami-achtige golf.

In het boek van Modderklok komen verschillende thema’s en uitwerkingen langs. Het boek heeft geen duidelijke opbouw of inhoudsopgave, dus ik heb zelf een lijstje gemaakt:

  • Internationale spionage van landen.
  • Internationale spionage van landen met behulp van digitale middelen.
  • Internationale spionage van landen met behulp van technieken die volgens enige regel of wet eigenlijk niet geoorloofd zijn.
  • De toename van digitale middelen door individuen die officieel niet in verband staan met enige overheid, maar misschien officieus toch wel.
  • Bombardementen op onschuldige burgers in Somalië.
  • De rol van Nederlandse veiligheidsdiensten in de internationale spionage.
  • Hacking en cybercriminaliteit in het algemeen.
  • De bedreiging die digitale technieken voor de privacy vormen.
  • De techniek van het internet en de techniek van het hacken.
  • De misschien te dominante rol van Fox-IT.
  • Het karakter van Ronald Prins.
  • De hack bij DigiNotar.
  • Het referendum over de ‘sleepwet’.
  • Het verband of het mogelijke verband tussen de hack bij DigiNotar en de executie van Iraanse demonstranten (in Iran).
  • De rol van Leaseweb in het internetverkeer en het mogelijk verband met de mogelijke criminelen achter ZeuS.
  • De aanval of vermeende hack bij de Democratische Partij in de V.S..
  • Het verband of het ontbreken van een verband tussen Kaspersky en de Russische overheid.
  • De hack bij Belgacom en de verontwaardiging van Belgische politici over die hack en de ontkenningen van die hack en die verontwaardiging door Belgische politici.
  • De problemen die een journalist ervaart bij het vinden van betrouwbare bronnen die hem iets kunnen vertellen over de wijze waarop overheden elkaar bespioneren.
  • Het feit of het mogelijke feit of het vermeende vermoeden dat de journalist bij het verzamelen van informatie over de wijze waarop overheden elkaar bespioneren door overheden of andere partijen via de modem is gehackt en afgeluisterd (2x).

Het lijstje is niet compleet maar het lijstje tot dusver illustreert afdoende dat Modderkolk zeer veel, op zich niet per se oninteressante of irrelevante onderwerpen aansnijdt terwijl de beperkte omvang van het boek (circa 250 pagina’s) het tot een bovenschrijverlijke prestatie zou hebben gemaakt als Modderkolk al die onderwerpen daadwerkelijk enigermate informatief en relevant zou hebben kunnen uitwerken.

Het is niet verbazingwekkend dat Modderkolk die überprestatie niet heeft geleverd. Het boek is een allegaartje van thema’s waarvan de uitwerking in de meeste gevallen niet dieper gaat dan de lead van krantenartikelen die erover gepubliceerd zijn. Veel onderwerpen worden enkel twee- of zesmaal genoemd, met dan twee- of zesmaal ongeveer dezelfde informatie. Daar waar Modderkolk een onderwerp daadwerkelijk enigszins uitwerkt – zoals bij de mevrouw die bij het uitwerken van gesprekken een kennis langs hoorde komen – heeft het onderwerp weinig of niets te maken met de ‘oorlog tussen overheden’, en leidt het verhaal de lezer uiteindelijk de doorlopende steeg in met dooddoeners als ‘we zullen het nooit weten’, of ‘de overheden blijven dit ontkennen’. Sommige voorvallen worden redelijk uitgelegd, zoals de affaire DigiNotar, maar die verhalen waren al uitgeschreven langs voordat Modderkolk besloot dat hij zich als onderzoeksjournalist zou gaan verdiepen in spionage, ICT en hacken. Het verband tussen overheden en criminelen wordt gesuggereerd, nog eens gesuggereerd, nog eens gesuggereerd en uiteindelijk ‘bewezen’ vanuit het feit dat de suggestie zo vaak is gedaan. Als Modderkolk op de techniek van het internet en het hacken ingaat, blijkt daaruit dat hij die techniek enkel heeft doorgrond tot op het niveau van metaforen waarmee anderen hem die techniek hebben toegelicht. Om niet nog een keer John le Carré erbij te halen: de avonturenverhalen van Tom Clancy zijn technisch informatiever dan het quasi-avonturenverhaal van Modderkolk. Het bronnenmateriaal dat Modderkolk in zijn literatuurlijst vermeld is van een lachwekkend of – voor wie in de illusie verkeert dat er aan serieuze onderzoeksjournalistiek is gedaan – huiveringwekkend. Er zit geen enkel artikel of boek bij waarop enige redactionele of inhoudelijke controle heeft plaatsgevonden behoudens van de organisatie die het artikel of het boek heeft gepubliceerd.

Waar Modderklok zijn eigen pogingen tot onderzoeksjournalistiek beschrijft, krijg je als lezer kramp in je tenen. Hij reist dan bijvoorbeeld af naar Anapa in Rusland om aan te bellen bij een woonflat waar ene Jevgeni Bogatsjov woont die er naast openbare praktijken als zakenman ook minder openbare praktijken als crimineel en hacker en misschien zelfs wel overheidspion op na houdt. Dat doet hij op pagina 133. Na tien pagina’s vol met wazig-suggestieve verbindingen blijft op pagina 144 dat Bogatsjov niet open heeft gedaan. Maar op de pier van de jachthaven waar een van de kostenbare jachten van Bogatsjov zou liggen, worden er foto’s van Modderkolk gemaakt en een van de personen die daarbij aanwezig is, verklapt: “we kunnen jullie ook meteen doodmaken”. Daarbij een grijns. Vervolgens verneemt de lezer dat Bogatsjov niet echt woont bij de woonvilla waar op pagina 133 is aangebeld, maar ergens anders, op de 14e verdieping van een flat. Bij die flat is er geen bel. Dus klopt onze onderzoekjournalist met zijn knokkels op de houten door waardoor een echo door de gang wordt veroorzaakt. Dat is op pagina 145. Komen er weer een paar pagina’s met wazig-suggestieve verbindingen. Op pagina 150 meldt Modderkolk dat Bogatsjov die echo niet gehoord heeft of die heeft genegeerd. Onze onderzoekjournalist klopt Daarom nogmaals. Maar weer tevergeefs. Dan gaat hij maar naar een villa in Anapa die op naam staat van het vastgoedbedrijf van de oude advocaat van Bogatsjov. Daar schijnt hij al eerder telefonisch contact mee heeft gehad en die heeft toen verteld dat die Bogatsjov al twee jaar niet gezien heeft in Anapa. Voor de zekerheid gaat onze onderzoeksjournalist echter toch nog even langs die villa. Er zijn daar honden die onophoudelijk blaffen, en de bel klinkt schel. Er wordt niet opengedaan dan nadat onze onderzoeker een paar keer heeft aangebeld en de jongeman die opendoet blijkt bovendien slaperig. De jongeman zegt vriendelijk dat hij de naam van de advocaat niet kent. Daarna vraagt onze onderzoeker naar Bogatsjov. Dan wordt de toon minder vriendelijk en slaat de jongeman met een ferm ‘nee’ deur dicht.

Stelt u zich voor dat bij u iemand aanbelt met de vraag of op het adres waar u de deur opendoet Geert-Jan Knoops woont. Die naam zegt u niets, dus u zegt vriendelijk ‘nee’. Dan vraagt die vreemdeling aan u of u Willem Holleeder kent…

In de pagina’s met wazige suggestievigheden na het eerste aanbellen in Anapa verneemt de lezer dat Modderkolk ook een keer samen met een Volkskrant-collega op een regenachtige dag op de stoep heeft gestaan bij toenmalig hoof van de AIVD wijlen Gerard Bouman. Die deed ook niet open.

Hilarisch zijn ook de pogingen van Modderkolk om aan de lezer duidelijk te maken dat hij zelf door overheden in de gaten gehouden wordt. Zo is er iets mis met zijn modem. Dat schijnt – aldus het gerucht – een indicatie te zijn van hackactiviteiten. Echter, Modderkolk heeft de eerste keer dat zijn modem raar deed –  in 2013 – het ding gereset waarmee alle sporen van een eventuele hack zijn verdwenen. De tweede keer dat zijn modem raar doet – in 2017 – is hij slimmer. Hij gaat ermee naar een expert. Die expert meldt hem evenwel dat alleen de fabrikant volledige toegang tot de modem kan krijgen. Of een bezoek aan de fabrikant iets zou hebben opgeleverd, blijft in het ongewisse want Modderkolk heeft de fabrikant van de modem – of, nee, het was een router, laat ik hier vooral geen technische slordigheden laten liggen – niet benaderd.

 Modderkolk is zo jong dat hij het boek vast nooit heeft gelezen, en misschien heeft hij de film ook nooit gezien, maar de passages waarin Modderkolk suggereert dat hij door overheden of criminelen in de gaten wordt gehouden, deed mij denken aan de scenes in All The President’s Men waarin Woodward & Bernstein denken dat ze in de gaten gehouden worden, en misschien zelfs hun leven in gevaar loopt. Daarvan is nooit iets gebleken. Het zou ook best wel raar zijn geweest, want Woodward & Bernstein speelden alles bijeen genomen slechts bescheiden bijrollen in de Watergate-affaire, en zelfs latere Republikeinse presidenten hebben geen enkele poging gedaan tot represailles jegens hen.

Het schijnt dat Hugo Logtenberg – die ik ook niet kende voordat ik hem tijdens dit gekrabbel opzocht op google, hij schrijft boeken over voetbaltrainers – voor Modderkolk als “journalistiek kompas van onschatbare waarde” (p. 256) heeft gefungeerd door hem op het hart te drukken “Details, Huib, let op de details!”. Dat advies heeft Modderkolk ter harte genomen. Als Aart Jochem – teamleider bij een overheidsdienst met een onmogelijke naam – op 31 augustus 2011 het gevoel heeft dat de zaken hem ontglippen overkomt hem dat als hij tijdens het bezoek aan de school van een van zijn kinderen voor een ouderavond (pagina 33), en nadat minister Donner op een persconferentie over DigiNotar geen kletskoek heeft uitgekraamd zakt Jochem moe weg in een taxi die hem naar Alphen aan de Rijn brengt (pagina 45). De vader van  Edwin Robbe deelt bij de koffie spritskoeken uiten (pagina 85). De kudde van Omar Mohammud Ali telt zo’n veertig schapen en geiten en hij heeft een vriend die Nuur Osman Gurey heet (pagina 104). René Pluijmers weet dat rechters niet weten hoe een telefoonmast werkt maar dankzij zijn kennis daarvan is een verdachte van een schietpartij vrijgesproken (pagina 111). Het internet is enorm aan het groeien (pagina 120). In Rusland eet Modderkolk een clubsandwich tonijn (pagina 138).

Nu zouden veel van dit soort overbodige stukjes informatie een functie kunnen hebben bij het ontbreken van de spanningspoging of bij het verhogen van authenticiteit. Voor mij persoonlijk had dat niet gehoeven. Ik heb The Conversation (1974) gezien, en Wargames (1983) en al die andere films over de thema’s die Modderkolk aansnijdt, dus spanning wekt het verhaal van Modderkolk bij mij niet meer op. En als kind heb ik ervaren dat als je tegen je moeder wil liegen over een grotigheid je daarbij allerlei waarheden over kleinigheden moet vertellen. Niet dat je leugen niet onderkend wordt, maar om die leugen te ontrafelen moet je moeder dan toch door de hele berg van waarheden heenploegen, en zij heeft wel wat beters te doen. Maar, goed, Modderkolk heeft zijn boek geschreven voor kijkers van De Wereld Draait Door, en die kijken niet naar platte Hollywood-films en hebben vast ook nooit tegen hun ouders gelogen. Een paar overtollige feitenfrutseltjes zij Modderkolk gegund, en dat Joost Nijsen er niets aan gedaan heeft, dat is te begrijpen want die vond dat het boek van Modderkolk sowieso al in 2018 in de boekhandel had moeten liggen in plaats van in 2019.

Die zucht tot authenticiteit levert zo nu en dan boeiende inkijkjes op: “Hoewel het [MIVD-baas Pieter Bindt en AIVD-baas Rob Betholee. Dr. WW] generatiegenoten zijn – beiden geboren in de jaren vijftig – schuren de karakters van Bindt en Bertholee regelmatig.” (pagina 156) Als Modderkolk ooit een schoolplein heeft bezocht, zou hij weten dat karakters vooral bij generatiegenoten fors kunnen schuren.

Op pagina 153 introduceert Modderkolk een dame die wordt aangeduid met “N.” Waarom deze dame enkel met een initiaal aangeduid moet worden is, niet duidelijk. Ondertussen komen we al meteen op pagina 153 veel over deze dame te weten:

  • In 2013 is ze 53 jaar
  • In 2013 leidt ze het “Rusland en China-team” bij de AIVD
  • Ze is een carrièrevrouw die als vertaler is begonnen, daarna bureaufuncties kreeg en een paar keer is uitgezonden om zich daarna te specialiseren in contraspionage.
  • Ze is een zakelijke leider, risicomijdend, afwachtend en gericht op de inhoud, en ze vindt de privébesognes van collega’s niet interessant.

Met deze informatie weten insiders vast wie met “N.” bedoeld is. Outsiders weten dat waarschijnlijk niet maar die zijn er waarschijnlijk ook niet in geinteresseerd of “N.” – die in het verhaal van Modderkolk slechts een piepklein bijrolletje speelt – ze gaat in op een informatieverzoek van de Amerikanen – nu wel of niet een aardige collega is. Toch heeft Modderkolk nog extra informatie over “N.”:

  • Ze is afkomstig uit een katholieke familie. (pagina 156)
  • Ze verwart de afkorting APR – die staat voor Advanced Persistent Threat – soms met ATP, de internationale benaming voor de club van proftennissers (pagina 157).

Omdat die informatie outsiders niets kan zeggen, moet die informatie bedoeld zijn voor oud-collega’s van N. voor wie de informatie op pagina 153 nog genoeg was.

Op pagina 161 komt N. nog eens langs. Daarbij wordt geen nieuwe informatie gegeven over het verzoek van de Amerikanen. Maar het biedt Modderkolk de gelegenheid te zeggen dat de CIA-man die in Nederland de contacten met de AIVD onderhoudt “met zijn smalle hoofd, grijzige haar, brilletje en ruimvallend pak […] zo de ambtenaar uit de televisieserie Flodder had kunnen zijn. O, en op pagina 171 meldt Modderkolk dat N. te intenties en gedragingen van Rusland nauwlettend probeert te volgen.

Het boek van Modderkolk is dus eigenlijk een jaar of twee te vroeg in de boekhandel beland. Er had eerst nog eens serieus naar de inhoud, de vertelstijl en de stilistiek moeten worden gekeken.

Ondertussen is de schokkende boodschap van Modderkolk niet schokkend en ook geen boodschap. Wie het tot 2019 ontgaan was dat er op het internet rare en onfrisse zaken plaatsgrijpen en dat overheden elkaar met allerlei technische middelen bespioneren en dat het begrip ‘privacy’ en anachronisme zou zijn als het ooit in enig tijdsgewricht betekenisvol zou zijn geweest, is of imbeciel of is na 2018 geboren.

Met vriendelijke groet,

Dr. W.W

P.S. In een reactie op deze leesreflectie heeft de auteur van het boek er – terecht – op gewezen dat in het nawoord wordt toegelicht waarom in een aantal gevallen initialen zijn gebruikt.

Privacy ten einde

De coronacrisis is een uitgelezen kans voor Big data-ondernemingen:

– Je kunt de corona-data mooi visualiseren in ‘corona-dashboard’.

– Je kunt vaccin-algoritmes aan de man brengen.

– Je kunt ministers en Kamerleden warm maken voor ‘corona-apps’.

Neemt natuurlijk niet weg dat:

– De data in de ‘corona-dashboard’ onvolledig en onjuist zijn.

– Vaccin-algoritmes net zo min het succes van resultaten kunnen garanderen als andere algoritmes succes kunnen voor het doel waarvoor die ingezet worden, kunnen garanderen.

– Het ‘corona-virus’ zich niets aantrekt van de illusie van controle die we met ‘corona-apps’ voor onszelf construeren.

Maar mooi dat ministers en politici vanwege de ‘corona-crisis’ bereid zijn om de conclusie van de Article 29 Data protection Working Party (opinion 05/2014) dat data zich niet ‘anonimiseren’ zolang de data bruikbaar zijn, overboord te zetten. Hebben we die privacy-discussie ook eindelijk eens afgesloten.

Dr. W.W.

Bericht RIVM: Empirisch niet onderbouwd

In dagblad Trouw (dinsdag, 2 april 2020) geeft de heer Van Dissel van het RIVM aan dat hij tevreden is over het effect van de beheersmaatregelen. Ditmaal baseerde hij deze tevredenheid op de daling van de ‘besmettelijkheidsgraad’ naar onder 0,5.

Dit verhaal van het RIVM wordt wetenschappelijk niet empirisch onderbouwd, is daardoor niet relevant en – eenmaal opgekuist naar relevantie – zeer waarschijnlijk onwaar.

Allereerst de empirische onderbouwing. Het RIVM doet het voorkomen alsof bij patiënten die positief getest worden, op enig moment in de anamnese wordt nagegaan wie deze patiënt allemaal nog meer besmet heeft.

Het is epidemiologisch irrelevant wat de besmettingsgraad is als er allerlei ‘beheersmaatregelen’ zijn genomen. Epidemiologen zijn primair geïnteresseerd in de besmettingsgraad van een virus onder ‘normale’ omstandigheden, en in a-symptomatisch besmetting, bij welke intensiteit van contact, langs welke kanalen. Informatie daarover kan gecombineerd worden met netwerkmodellen om daaruit de ‘besmettingsgraad’ af te leiden. Op basis daarvan kun je dan maatregelen gaan nemen.

Bij een bepaald gebruik van de term ‘waarheid’ volgt uit het ontbreken van zowel de empirische onderbouwing als de relevantie, dat het verhaal onwaar is. Als we terugschakelen naar de basale ‘correspondentie-notie’ van waarheid dan is het verhaal van het RIVM zeer waarschijnlijk onwaar.

1. Er zijn vooralsnog geen tekenen dat de ‘besmettingsgraad’ van COVID-19-patiënten afneemt, al is het omdat er geen nulmeting van deze ‘besmettingsgraad’ beschikbaar is.

2. Ondanks de 33.000 artikelen die inmiddels over het fenomeen zijn geschreven door onderzoekers, is zelfs de besmettingscurve (de fasen waarin dragers anderen kunnen besmetten) nog niet in kaart gebracht.

Voor zover we weten – en we weten dus strikt genomen niets – moeten we aannemen dat de besmettingsgraad niet is gewijzigd. Mijn conclusie is dan ook dat dit impliceert dat zodra het aantal contacten tussen mensen weer toeneemt, het aantal besmettingen weer toeneemt. De enige ‘winst’ die in de tussentijd behaald wordt, is de winst die al was behaald: veel van de contacten van een corona-patiënt zijn al eerder besmet en kunnen dus (voorlopig?) niet opnieuw besmet worden.

Dr. W.W.

Kabinetsbeleid covid-19 effectief? deel 2

In DEEL 1 is duidelijk geworden waarom à priori tot de conclusie kan worden gekomen dat de wetenschappers en de wetenschap als collectief nog niet ‘weet’ of kudde-immuniteit zich bij Sars-Cov-2 kan voordoen. Is het, gegeven deze bijna peilloze onwetendheid, voor een kabinet onmogelijk om geïnformeerd tot handelen over te gaan? Het antwoord is ‘misschien’.

De wijze waarop het kabinet tot dusver heeft proberen te handelen, is niet bijster consistent. Het kabinet zegt zich te baseren op de visie van deskundigen, daarmee doelend op het RIVM.

Als het RIVM aanvankelijk het kabinet heeft geadviseerd een fase 1, INDAMMEN, in te gaan, en twee weken later heeft geadviseerd fase 2, MITIGEREN, in te gaan, dan zou je als onafhankelijk toeschouwer kunnen concluderen dat de adviseurs bij het RIVM twee geleden voor het eerst kennis hebben genomen van de theorie van kudde-immuniteit.

Binnen de theorie van kudde-immuniteit ga je niet eerst twee weken proberen om een dreigende epidemie met mogelijk zeer ernstige gevolgen te onderscheppen door forensisch onderzoek met het handjevol patiënten dat toevallig in de radar van de medische stand is gekomen, zeker niet als je vanwege data uit andere landen (China, Italië) al weet dat het virus zich niet laat indammen.

Het feit dat het RIVM zelf aan het zwabberen lijkt te zijn geweest tussen verschillende theorieën, holt het gezag van het RIVM enigszins uit. In deze fase – nu iedereen weet wat het RIVM drie weken geleden al had moeten weten – is deze bedenking echter academisch of, misschien, een punt van orde voor een latere parlementaire enquête naar het gezwabber.

De vraag die nu op tafel ligt, is of de theorie van kudde-immuniteit – onder de aanname dat die JUIST is – een handelingsrichtlijn voor het kabinet biedt.

Analytisch (of a priori) lijkt het antwoord ‘nee’ te moeten zijn. Gegeven de onmogelijkheid om, tijdens het opbouwen van kudde-immuniteit, risicogroepen hermetisch af te grendelen van een virus, is de handelingsrichtlijn die uit de theorie getrokken zou kunnen worden niet consistent:

1. Om kudde-immuniteit op te bouwen zouden er maatregelen moeten worden genomen waardoor het virus zich kan verspreiden over de inwoners die niet tot de risicogroep behoren terwijl het virus de risicogroep niet mag bereiken. Dit impliceert dat voorzorgsmaatregelen die ‘voor zich’ spreken (zoals handen wassen, geen handen schudden, geen massale bijeenkomsten), NIET strikt mogen worden uitgevoerd. Strikte toepassing zou – indien succesvol – tot gevolg hebben dat de groep van immune burgers zeer klein blijft. Maar hoe implementeer je op maatschappelijk niveau een regel waarvan het de bedoeling is dat die niet strikt wordt gevolgd?

2. Terwijl nog niet bekend is of de theorie van kudde-immuniteit opgaat voor Sars-Cov-2, is al wel bekend dat deze opgaat voor veel andere virussen. Als de overheid consistente maatregelen kan abstraheren vanuit de theorie binnen de aanname dat de theorie opgaat voor Sars-Cov-2, en dat meent te moeten doen omdat dit virus fatale gevolgen kan hebben, dan zou de overheid dezelfde maatregelen moeten nemen voor het bestrijden van virussen die ook fatale gevolgen kunnen hebben maar waarvan al bekend is dat de theorie van kudde-immuniteit daarvoor opgaat, zoals de ‘gewone’ griep. De ‘gewone’ griep heeft jaarlijks in Nederland 2.000 tot 3.000 keer een fataal gevolg. Bij een consistente toepassing van een vermeend consistente verzameling Sars-Cov-2-maatregelen, zouden we doorheen het jaar – of althans tussen de maanden oktober en april – elkaar geen handen moeten geven, geen massale bijeenkomsten moeten houden, enzovoorts.

Quasi-technisch uitgedrukt: de handelingsrichtlijnen die uit de theorie van kudde-immuniteit geabstraheerd zouden kunnen worden, lijden zowel aan inconsistentie in de eerste graad als aan inconsistentie in de tweede graad. Voor de lezers die het minder technisch willen uitdrukken: Immanuel Kant zou uit de theorie van kudde-immuniteit geen categorische imperatieven kunnen afleiden.

Voor zover een overheid met de theorie van kudde-immuniteit iets kan, moeten de beleidslijnen binnen een utilistisch kader getrokken worden. Het utilisme is, zoals bekend, intrinsiek inconsistent, en dan is het in de tweede graad consistent om daar inconsistente maatregelen uit te peuren.

Het kabinet van meneer Rutte volgt die utilistische lijn. De rare sprongen van het kabinet rond het al dan niet sluiten van scholen, laten zich daarmee verklaren. Binnen de theorie van kudde-immuniteit is het nuttig als leerlingen en docenten elkaar op een school besmetten. De meeste leerlingen en docenten behoren niet tot de risicogroepen, besmettingen op school zullen door de bank genomen dus geen ernstige gevolgen hebben, althans gevolgen die niet ernstiger zijn dan die van een gewone groep. De gevolgen van besmettingen binnen deze groep zijn enkel ernstig als leerlingen en docenten vervolgens zwakke grootouders gaan bezoeken. Utilistisch laat zich vervolgens ‘uitrekenen’ dat leerlingen vooral niet thuis moeten blijven omdat grootouders vaak oppassen en dat de kans op fatale gevolgen op een grotere, net niet meer maatschappelijk acceptabel schaal zou doen toenemen.

We kunnen die utilistische benadering cynisch noemen – zeker omdat de heer Rutte de calculatie die binnen het RIVM gemaakt is, vorige week niet gedeeld heeft met de bevolking en ook in zijn toespraak tot de natie van gisteren niet expliciet heeft gemaakt – maar doorheen alle bedenkingen bij de theorie van kudde-immuniteit en de gammel-zwabberende toepassing daarvan door het kabinet, is er wel een krachtig argument te geven voor deze benadering.

Immers, er is geen goed alternatief. ‘Indammen’ door daadwerkelijk te proberen elke CoVid-19-patient uit de bevolking te isoleren van de rest van de bevolking, zoals men in Italië, Spanje en Frankrijk probeert te doen, is alleen een optie in Hollywood-scenario’s en in landen die de evolutie van de democratie zoals die zich in West-Europa heeft voltrokken hebben overgeslagen.

Het is dus in theorie mogelijk dat het Nederlandse kabinet op advies van het zwalkende RIVM, vanuit peilloze onwetendheid, met inconsistente maatregelen toevalligerwijs precies de plank raakt.

Dr. W.W.

Vaccinatie obv herd immunity: Rutte vacin deel 1

De korte toespraak tot de natie van de heer Rutte van 16 maart 2020 schijnt de Nederlanders goed bevallen te zijn. De toespraak heeft bovendien internationaal opzien gebaard. Zo had Naomi O’Leary van The Irish Times al voor middernacht uitgezocht dat de WHO niet overtuigd is van de theorie die de heer Rutte in zijn toespraak ontvouwde.

Die theorie, die van kudde-immuniteit (herd immunity), is gebaseerd op een aantal veronderstellingen: 1. Patiënten die genezen van CoVid-19 hebben immuniteit tegen deze ziekte opgebouwd. 2. Deze immuniteit blijft gedurende een langere periode in stand. 3. Patiënten die immuun zijn tegen CoVid-19 kunnen geen drager zijn van het Sars Cov 2-virus of kunnen anderen daarmee niet besmetten. 4. Na verloop van tijd worden risicogroepen – voor wie het virus zeer ernstige consequenties heeft – door de groep die immuun is beschermd doordat het virus deze risicogroepen niet meer kan bereiken.

Voor een aantal virussen is min of meer bewezen dat de theorie van kudde-immuniteit ervoor opgaat of althans empirisch adequaat is. Voor Sars-Cov-2 is dat echter nog niet het geval. Hieronder worden de vier vooronderstellingen systematisch uitgewerkt voor Nederland.

1. Het is nog niet bekend of patiënten die genezen zijn van CoVid-19 immuniteit tegen het virus hebben opgebouwd. Door beperkte betrouwbaarheid van afzonderlijke ‘coronavirus’-testen is de vraag of een patiënt genezen is niet betrouwbaar te beantwoorden. Er zijn gevallen gemeld van patiënten die, nadat zij enige tijd ‘symptoom’-vrij waren en hun testen negatief waren, op een ander moment symptomen van CoVid-19 vertoonden met opnieuw positieve testuitslagen.

2. Voor kudde-immuniteit/herd immunity moet de fase van immuniteit significant langer zijn dan een half jaar. Er kunnen (maart 2020) nog geen data zijn waaruit zou blijken dat Sars-Cov-2-immuniteit langer dan een half jaar duurt. Als de patiënten met terugval daadwerkelijk genezen waren, dan was de fase van immuniteit althans voor deze patiënten zeer kort (om deze reden is de consensus over deze casus dat de betreffende patiënten waarschijnlijk niet echt genezen waren).

3. Patiënten die immuun zijn tegen een virus kunnen drager zijn van het virus, hetzij doordat zij dat virus in of op het lijf hebben, hetzij doordat zij het virus op hun mobiele telefoon hebben zitten. Het is nog onbekend of dergelijke dragers die zelf geen last van het virus hebben anderen met het Sars-Voc-2-virus kunnen besmetten.

4. Omdat nog niet bekend is in welke gevallen dragers anderen (niet) kunnen besmetten, is nog niet bekend of mensen die tot een risicogroep behoren praktisch effectief beschermd worden door een cordon van mensen die immuun zijn. Meer specifiek: het is niet bekend welk percentage van de inwoners van een land immuun moet zijn om groepen inwoners die niet immuun zijn te beschermen. In de discussie waarin ouders die hun kinderen niet inenten tegen mazelen aangezet zijn om dit vooral toch te doen, hanteerden virologen een inentingspercentage van 95% als veilig. Als we van dit percentage uitgaan dan zouden we, omdat er momenteel geen vaccin is, moeten accepteren dat 95% van de Nederlanders besmet moeten zijn met het Sars-Cov-2-virus en daarvan genezen voordat kudde-immuniteit/herd immunity effectief zou zijn. Vermits er volgens het RIVM nu ergens tussen de 2.000 en 10.000 Nederlanders besmet zijn, zouden we nog een zeer lange weg te gaan hebben voordat kudde-immuniteit gerealiseerd is.

Bovenstaande bedenkingen zijn à priori te maken. Dat wil zeggen, er zijn geen specifieke data voor nodig. Dat we niet weten of kudde-immuniteit in deze pandemie een oplossing is, vloeit voort uit de analytische aannames van de theorie en een plukje van nagenoeg onbetwistbare data: allereerst dat sommige patiënten hebben terugval, en ten tweede deskundigen hebben slechts drie maanden de tijd gehad om data te verzamelen. We hoeven niet vanuit een bepaalde theorie deze data te duiden omdat elke duiding – inclusief de ontkenning – tot dezelfde conclusie leidt: de wetenschappers en de wetenschap als collectief ‘weet’ nog niet of kudde-immuniteit zich bij Sars-Cov-2 kan voordoen.

Dr. W.W.

Pseudowetenschap van het RIVM

De korte toespraak tot de natie van de heer Rutte van 16 maart 2020 schijnt de Nederlanders goed bevallen te zijn. De toespraak heeft bovendien internationaal opzien gebaard. Zo had Naomi O’Leary van The Irish Times al voor middernacht uitgezocht dat de WHO niet overtuigd is van de theorie die de heer Rutte in zijn toespraak ontvouwde.

Die theorie, die van kudde-immuniteit (herd immunity), is gebaseerd op een aantal veronderstellingen: 1. Patiënten die genezen van CoVid-19 hebben immuniteit tegen deze ziekte opgebouwd. 2. Deze immuniteit blijft gedurende een langere periode in stand. 3. Patiënten die immuun zijn tegen CoVid-19 kunnen geen drager zijn van het Sars Cov 2-virus of kunnen anderen daarmee niet besmetten. 4. Na verloop van tijd worden risicogroepen – voor wie het virus zeer ernstige consequenties heeft – door de groep die immuun is beschermd doordat het virus deze risicogroepen niet meer kan bereiken.

Voor een aantal virussen is min of meer bewezen dat de theorie van kudde-immuniteit ervoor opgaat of althans empirisch adequaat is. Voor Sars-Cov-2 is dat echter nog niet het geval. Hieronder worden de vier vooronderstellingen systematisch uitgewerkt voor Nederland.

1. Het is nog niet bekend of patiënten die genezen zijn van CoVid-19 immuniteit tegen het virus hebben opgebouwd. Door beperkte betrouwbaarheid van afzonderlijke ‘coronavirus’-testen is de vraag of een patiënt genezen is niet betrouwbaar te beantwoorden. Er zijn gevallen gemeld van patiënten die, nadat zij enige tijd ‘symptoom’-vrij waren en hun testen negatief waren, op een ander moment symptomen van CoVid-19 vertoonden met opnieuw positieve testuitslagen.

2. Voor kudde-immuniteit/herd immunity moet de fase van immuniteit significant langer zijn dan een half jaar. Er kunnen (maart 2020) nog geen data zijn waaruit zou blijken dat Sars-Cov-2-immuniteit langer dan een half jaar duurt. Als de patiënten met terugval daadwerkelijk genezen waren, dan was de fase van immuniteit althans voor deze patiënten zeer kort (om deze reden is de consensus over deze casus dat de betreffende patiënten waarschijnlijk niet echt genezen waren).

3. Patiënten die immuun zijn tegen een virus kunnen drager zijn van het virus, hetzij doordat zij dat virus in of op het lijf hebben, hetzij doordat zij het virus op hun mobiele telefoon hebben zitten. Het is nog onbekend of dergelijke dragers die zelf geen last van het virus hebben anderen met het Sars-Voc-2-virus kunnen besmetten.

4. Omdat nog niet bekend is in welke gevallen dragers anderen (niet) kunnen besmetten, is nog niet bekend of mensen die tot een risicogroep behoren praktisch effectief beschermd worden door een cordon van mensen die immuun zijn. Meer specifiek: het is niet bekend welk percentage van de inwoners van een land immuun moet zijn om groepen inwoners die niet immuun zijn te beschermen. In de discussie waarin ouders die hun kinderen niet inenten tegen mazelen aangezet zijn om dit vooral toch te doen, hanteerden virologen een inentingspercentage van 95% als veilig. Als we van dit percentage uitgaan dan zouden we, omdat er momenteel geen vaccin is, moeten accepteren dat 95% van de Nederlanders besmet moeten zijn met het Sars-Cov-2-virus en daarvan genezen voordat kudde-immuniteit/herd immunity effectief zou zijn. Vermits er volgens het RIVM nu ergens tussen de 2.000 en 10.000 Nederlanders besmet zijn, zouden we nog een zeer lange weg te gaan hebben voordat kudde-immuniteit gerealiseerd is.

Bovenstaande bedenkingen zijn à priori te maken. Dat wil zeggen, er zijn geen specifieke data voor nodig. Dat we niet weten of kudde-immuniteit in deze pandemie een oplossing is, vloeit voort uit de analytische aannames van de theorie en een plukje van nagenoeg onbetwistbare data: allereerst dat sommige patiënten hebben terugval, en ten tweede deskundigen hebben slechts drie maanden de tijd gehad om data te verzamelen. We hoeven niet vanuit een bepaalde theorie deze data te duiden omdat elke duiding – inclusief de ontkenning – tot dezelfde conclusie leidt: de wetenschappers en de wetenschap als collectief ‘weet’ nog niet of kudde-immuniteit zich bij Sars-Cov-2 kan voordoen.

Dr. W.W.

Kinderopvangtoeslag

Geachte redactie (Trouw),

Het is goed dat ouders van wie de kinderopvangtoeslag ten onrechte is stopgezet en met wie redelijkerwijs een soepele terugbetalingsafspraak had moeten worden gemaakt, nu dan eindelijk een compensatie krijgen. Maar er zit een addertje onder het gras. Als zij de zogenoemde Donner-compensatie bij de aangifte inkomstenbelasting niet hoeven op te geven als bestanddeel van het verzamelinkomen, zal dit voor de meesten geen effect hebben op de toeslagrechten over 2020. Dan is er niets aan de hand.

Echter, voor ouders met kinderen die werkzaam zijn in de onderkant van het loongebouw, kan de Donner-compensatie de toeslagrechten over 2020 aantasten. Als voor 1 januari 2020 een Donner-toeslag van enkele tienduizenden euro’s op de rekening gestort is, kan dit voor sommige ouders het gevolg hebben dat zij niet voldoen aan de vermogenstoets voor de huur- of zorgtoeslag of de toets van het kindgebonden budget. Ouders die daarboven komen, moeten de Belastingdienst verzoeken dit deel van het vermogen niet mee te tellen.

Gegeven zijn de volgende drie feiten. Allereerst de Belastingdienst heeft in 2019 fors op de falie gekregen voor de ongewenste effecten van wet- en regelgeving. Ten tweede handelde de belastingdienst in reactie op een destijds verontwaardigde Tweede Kamer, in de zogenoemde toeslagenfraude. De Tweede Kamer deed een ferme oproep tot strenger controleren. Ten derde is de wijze waarop de belastingdienst strenger ging controleren door de Raad van State in eerste aanleg gebillijkt. De belastingdienst zal daarmee zeer waarschijnlijk de Donner-toeslagen van tienduizenden euro’s meteen honoreren. Immers, zou de Dienst dat niet doen, dan is er straks niemand meer te porren voor de rol van staatssecretaris Financiën ad interim.

Waar lopen we tegen aan in het toeslagenstelsel? Nu de discussie over het ‘Toeslagenstelsel’ op gang aan het komen is, verdient de asymmetrie in het huidige stelsel aandacht. Waar er voor de huur- en zorgtoeslag en het kindgebonden budget een vermogenstoets is, is die er niet voor de kinderopvangtoeslag. Voor de kinderopvangtoeslag is er evenmin een inkomenstoets. In theorie kan een multimiljonair die samen met de partner een halve dag in de week de boekhouding van zijn consortium bijhoudt, een kinderopvangtoeslag krijgen voor 230 uur per maand per kind.

En als in “Nederland” één ding zeker is, dan is het wel dat, dat wat in theorie kan, in de praktijk voorkomt. De toeslag-ontvangende miljonair krijgt echt geen bezoek van een CAF-ambtenaar. Die houdt zijn urenregistratie zelf bij en daarin staat vast dat hij en zijn partner wel 60 uur per week bezig zijn met het verwerken van de bonnetjes van de zaak.

Historie en wat zijn de contra-effecten van het stelsel? Nederland is geen Zweden! Economisch is de kinderopvang een kunstmatige sector. Zonder de miljardensubsidie die de overheid via de toeslagen aan de sector geeft, zou de sector de concurrentie met de oppas-buurvrouw en de oppas-grootouders niet aan hebben gekund. Dertig jaar geleden, toen Kamerleden terugkwamen van hun studiereis naar Zweden, was er iets voor het systeem van gesubsidieerde kinderopvang te zeggen. Het effect in Zweden was dat de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen door het systeem van kinderopvang was toegenomen, de economie was gegroeid en de arbeidsproductiviteit was gestegen. In Nederland hebben deze effecten zich na dertig jaar crèche-subsidie nog steeds niet voorgedaan. Waardoor we van de kindertoeslag af moeten.

Grosso modo is het effect van de miljardenimpuls in deze sector dat tweeverdieners met een verzamelinkomen van vier keer modaal er een extra vrije dag hebben bijgekregen. De kunstmatigheid van de sector en de onmogelijkheid van effectieve controle trekt fraudeurs aan. Vrouwen in Nederland schijnen nog steeds niet door het glazen plafond heen te kunnen breken. En de bijstandsmoeder die geen baan heeft, geen geregistreerde opleiding volgt, en de huilende kinderen thuis niet meer aankan, moet nog steeds bij de gemeente aankloppen voor een dotatie om de kinderen een dag naar de crèche te kunnen brengen.

Nederland is geen Zweden, en ook geen Finland. Kinderen krijgen is in Nederland al heel lang een keuze. Van wie in een positie van relatieve luxe ervoor kiest kinderen te krijgen, mag tenminste zoveel verantwoordelijkheidsgevoel verwacht worden dat die een jaar of vijf zelf voor de kroost zorgt totdat die andere vorm van gesubsidieerde kinderopvang – die we in Nederland het bekostigd onderwijs noemen – een deel van de zorgtaken overneemt. De overheid moet zich beperken tot het ondersteunen van diegenen die door de zorg voor de kinderen niet volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving.

Met vriendelijke groet,

Nederlandse Vereniging voor Creatief Scepticisme, 8 januari 2020

“De Grote Dataroof” programma Tegenlicht wetenschappelijk beschouwd

Geachte redactie,

Met interesse heb ik uw aflevering ´De Grote Dataroof´ van zondag 27 oktober 2019 bekeken.

Ik hecht eraan naar u terug te koppelen:

Allereerst bleef de aflevering aan de oppervlakte, mogelijk doordat eerder materiaal is hergebruikt, maar althans deels doordat de geïnterviewde mevrouw Zuboff overwegend uitte met retorische analogieën. Voor wie niet gevoelig is voor complottheorieën zou haar bijdrage als suggestief en oppervlakkig kunnen ervaren, of zelfs als onzin voortkomend uit een gebrek aan informatie. Het is evenwel mogelijk dat de indruk dat zij oppervlakkig denkt, is gewekt door het format van het interview/programma. Ik heb haar boek besteld om hierover een nader beeld te vormen. (Het is een dik boek, en als daar alleen oppervlakkige onzin in staat, dan zou dat op zichzelf als een imposante presentatie aangemerkt moeten worden.)

Ten tweede kwam opnieuw de ‘Target’-anekdote langs, zij het in een ingekorte en wat afgezwakte vorm. Ik wijs u erop dat de Target-anekdote zeer waarschijnlijk een ‘urban myth’ is. De enige bron hiervoor is Charles Duhigg. Die kan de anekdote te goeder trouw hebben opgetekend uit de uit-angst-voor-represailles-anoniem-willen-blijvende manager van Target (op zichzelf wel grappig dat een manager bang zou zijn voor represailles voor een anekdote die Target vooral positieve reclame heeft opgeleverd), het is ook niet uit te sluiten dat Duhigg de anekdote bedacht heeft ter illustratie. Wie bronnen raadpleegt die inzicht zouden kunnen geven in de chronologie der dingen (waaronder Pole zelf), zou kunnen vaststellen dat het voorval niet plaats kan hebben gevonden omdat Target nooit een specifiek op zwangere vrouwen gerichte campagne met alleen ‘zwangere vrouwen’-aanbiedingen heeft uitgezet.

Het is enigszins trieststemmend dat een tegenlicht tegenover de suggestieve schijn die de Googles en de Facebooks willen wekken, soms niet meer helderheid brengt dan suggestieve schijn.

Dr. W.W.

Persoonsgegevens en mensenhandel

Door de invoering van de AVG (Algemene Verordening Gegevensbescherming) is het aantal personen dat zich beroepsmatig bezig houdt met het beschermen van persoonsgegevens fors gestegen. Naast de 180 functionarissen die werkzaam zijn bij de Autoriteit Persoonsgegevens, zijn er twee keer zo veel academische posten gewijd aan ‘personal data’, heeft elk advocatenkantoor tenminste 1 specialist in ‘privacyrecht’, zijn er tienduizenden functionarissen gegevensbescherming en data officers, en hebben de AVG en ‘Privacy by Design’ tenminste duizend banen opgeleverd in de ICT. De AVG-werkgelegenheid heeft 15.000 structurele banen opgeleverd, en als we alle uren meetellen waarin besturen en raden van toezicht zich over AVG-kwesties buigen, dan tikken we in Nederland vast de 20.000 fte aan.

Daartegenover staat dat het aantal functionarissen dat zich min of meer structureel bezighoudt met het opsporen van mensenhandel, nauwelijks boven het aantal medewerkers van de Autoriteit Persoonsgegevens – ongeveer 180, dus – uitkomt. We hebben weliswaar zoiets als een Autoriteit voor mensenhandel – de Nationaal rapporteur – maar die heeft geen opsporingsbevoegdheid terwijl de Autoriteit Persoonsgegevens – daargelaten wapengebruik – bijna dezelfde bevoegdheden heeft als de FBI in de Verenigde Staten.

Het numerieke verschil in mankracht en bevoegdheden wordt pregnanter als we rekening houden met de aard van het risico. Niettegenstaande de algemene aanname dat persoonsgegevens bescherming behoeven, is er geen direct verband tussen het verwerken van persoonsgegevens en maatschappelijke risico’s. Het klinkt heftig als “medische gegevens op straat liggen”, maar de maatschappelijke impact daarvan is niet noodzakelijk groter dan het illegaal achterlaten van een plastic tas met huisvuil langs de openbare weg. Met de meeste gegevens die ‘op straat’ liggen, gebeurt niets meer. Als er iets mee gebeurt – identiteitsfraude bijvoorbeeld – dan zijn er andere, meer effectieve maatregelen denkbaar dan het aanstellen van 20.000 ‘persoonsgegevens-bewakers’.

Mensenhandel, daarentegen, heeft een directe impact. Voor de individuen die het betreft en voor de samenleving. Dat iemand in Australie weet dat Sander Dekker websites bezoekt over de Nederlandse politiek, is minder ingrijpender dan dat een meisje van zestien ergens in een schuur in de Noordoostpolder ontkleed wordt afgeranseld voor het geval Sander Dekker of iemand anders in het gebied waarvan hij het recht meent te beschermen, ook eens een meer ranzige website wil bezoeken. Of als een Roemeense familie in een schuur in Noord-Brabant opgesloten zit en alleen wordt uitgelaten als er asperges gestoken moeten worden.

We zijn in Nederland, met die bijna obsessieve aandacht voor ‘persoonsgegevens’, het gevoel voor maatschappelijke proporties kwijt geraakt.

Meldplicht digitale algoritmes voor Nederlandse overheid in de context van Nederland

Verzonden: donderdag 10 oktober 2019 10:44 Aan: k.verhoeven@tweedekamer.nl Lid Tweede Kamer D66 Onderwerp: terugkoppeling bij uw bijdrage aan BNR Digitaal 2 oktober 2019

Geachte heer Verhoeven,

Met belangstelling heb ik uw bijdrage aan BNR Digitaal van 2 oktober 2019 gevolgd over de meldplicht voor overheidsorganisaties van het gebruik van algoritmes.

Met uw welnemen reageer ik via het inmiddels ouderwetse medium van de e-mail en niet via Twitter; immers, we weten inmiddels dat organisatie Coosto in opdracht van het CBS uit twitterteksten bijhoudt of Nederlanders gelukkig zijn, of juist opstandig…. Ook kies ik voor mail, niet zozeer om mijn privacy te beschermen maar omdat de maatschappelijke discussie – sinds Jip&Janneke-taal tot de nieuwe norm lijkt te zijn verheven – inderdaad met kunstmatige intelligentie gevoerd kan worden. Dit geldt niet voor teksten van denkers en schrijvers in de traditie van John Searle, Herbert Dreyfus en Douglas Hofstadter, die lang en ingewikkeld zijn, want dat schijnen computers en algoritmes nog steeds niet te kunnen.

Ik heb een lees- en onderzoekstip voor u.

Lees, bijvoorbeeld, The AI Delusion van Gary Smith (Oxford University Press, 2018) simultaan met, bijvoorbeeld, The Master Algorithm van Pedro Domingos (Penguin Books, 2017), terwijl u wat bladert in Introduction to Machine Learning, third edition, van Ethem Alpaydin (MIT Press, 2014) of Deep Learning van Ian Goodfellow, Yoshua Bengio en Aaron Courville (MIT Press, 2016), en stel u daarbij steeds de volgende vragen vragen:

Welk epistemologisch probleem staat centraal bij de kritiek van Gary Smith op Artificial Intelligence / Data Mining / Machine Learning? Geeft Pedro Domingos een oplossing voor dit probleem? Zit er in de techniek van Machine Learning/Deep Learning een oplossing voor dit probleem? Denkt Gary Smith dat dit probleem specifiek is voor Artificial Intelligence / Data Mining / Machine Learning? Zo ja, hoe denkt hij dat het opgelost kan worden? Is het een specifiek probleem voor Artificial Intelligence / Data Mining / Machine Learning? Zo nee, voor wie of wat dan allemaal nog meer?

Terug naar uw onderwerp: ik begrijp uw zorg over geautomatiseerde besluitvorming, maar ik begrijp niet dat u niet begrijpt dat u uw zorg verkeerd begrijpt en als gevolg daarvan van uw onderwerp gaat wegdwalen door doodlopende stegen in te slaan (jij ook oprotten, HAL!).

Als ik een lening bij een bank aanvraag, en de bankmeneer zegt ‘Nee’, dan is het voor mij niet relevant of die meneer dat zegt omdat ik mijn schoenen niet gepoetst heb, of omdat hij in zijn hoofd een ingewikkeld risicomodel heeft toegepast, of omdat hij op een scherm het resultaat afleest van een ingewikkeld risicomodel dat door een computer is doorgerekend. Voor mij is – vanuit mijn kennelijke behoefte aan liquiditeit – enkel relevant dat iets of iemand die de macht heeft om mij iets toe te zeggen of mij iets te weigeren, ‘Nee’ zegt. Het maakt niet uit of daarbij overwegingen aan ten grondslag liggen die, volgens het een of ander theoretisch model, relevant en redelijk genoemd zouden kunnen worden noch of dat theoretische model is toegepast door een organisme dat onder het wegkijkend oog van een blinde horlogemaker is geëvolueerd tot mensch of door een met microscopen en nanotechniek vernuftig in elkaar geknutseld stukje metaal.

Toegegeven, wij mensen, organismen met iets als emoties, willen nogal eens het speelveld verleggen. Als er een besluit valt dat voor ons onprettig is, dan willen we ons nogal eens wijsmaken dat we dat besluit alsnog weg kunnen poetsen door te gaan klagen over ‘de manier waarop’. Dat is menselijk, al te menselijk, en dus begrijpelijk voor wie de mens begrijpt. Het is echter in relatie tot het belang dat het individu had bij het besluit, meestal vruchteloos en leidt dan enkel af.

Nu geldt voor besluitvorming door de overheid dat de willekeur van de macht op papier aan banden is gelegd doordat er regels en protocollen zijn opgesteld. Een burger die zich benadeeld voelt door een besluit van de overheid (kindgebonden toeslag ingetrokken, bekeuring voor appen op de fiets, enzovoorts) kan daardoor vaak het besluit dat expliciet over hem is genomen en dat hem onwelgevallig is aanvechten door ‘de manier waarop’ te thematiseren. Dat lukt niet altijd, maar het is de enige route waarlangs het individu zich te weer kan stellen tegen de overheid, dus laten we regels en protocollen die die mogelijkheid openhouden, vooral niet afschaffen.

Een regel die het overheidsdiensten verplicht het gebruik van ‘ingrijpende algoritmes’ te melden, kan echter niet of nauwelijks bijdragen aan de mogelijkheid van het individu zich te weer te stellen tegen de overheid. Een voorbeeld: onlangs heeft de commissie Parameters adviezen uitgebracht over de zogenaamde UFR-methodiek. Die adviezen hebben tot gevolg dat voor de meeste pensioenfondsen de dekkingsgraad in 2021 op of onder de kritische dekkingsgraad komt, en pensioenfondsen een opbouwkorting moeten doorvoeren. Het algoritme dat de commissie Parameters heeft gebruikt zal, met enige vertraging, nadelige consequenties hebben voor de 8,5 miljoen Nederlanders die participeren aan de tweede pijler van het pensioenstelsel. Het valt echter niet te verwachten dat een individuele pensioendeelnemer hiertegen succesvol bezwaar aan kan tekenen door erop te wijzen dat de commissie Parameters dat algoritme niet gemeld heeft.

Zouden we een inventarisatie maken van alle overheidsmaatregelen die de individuele burger raken, dan zouden we vaststellen dat de individuele burger in de meeste gevallen indirect geraakt wordt, langs een route waarop de individuele burger nauwelijks zicht heeft. Meer transparantie over ‘de route waarlangs’ geeft de burger niet meer mogelijkheden: ook in een perfect transparante route is er geen halte waarbij een individuele burger een protocollair verankerd materieel klachtrecht zou kunnen inroepen. Aan het eindpunt kan er soms nog wat geklaagd worden, maar dat gaat dan over dat het pensioenoverzicht te laat is toegezonden, of zoiets.

Als u van mening bent dat een algoritme-meldplicht iets kan betekenen voor individuele burgers, dan heeft u daarbij dus nog iets uit te leggen.

Het is verleidelijk hier voorbeelden uit de actualiteit aan te roepen, zoals ‘predictive policing’ of de affaire rond het ‘zomaar’ stopzetten van het kindgebondenbudget of het ‘SyRI’-algoritme in Rotterdam. Het verband tussen deze actuele ‘affaires’ en algoritmes is echter flinterdun. ‘Predictive policing’ is geen nieuw fenomeen. Sinds de opkomst van gezag, maakt het gezag onderscheid in de mate en de aard van toezicht. Of de onderscheidingen met die algoritmes van tegenwoordig effectiever zijn, is de vraag, maar als het antwoord op die vraag bevestigend is, dan is dat mooi meegenomen. En in de affaire rond het kindgebondenbudget was niet het probleem niet zozeer het (nogal gammele) algoritme dat frauderisico’s signaleerde, of het feit dat er semiautomatisch iets werd stopgezet, maar dat er geen dossierspecifieke motivering bij die stopzetting werd gegeven met vervolgens een ordentelijke klachtafhandeling. En, tja, de ‘SyRI’-affaire was een opgeklopte storm in een glas water waarbij allerlei thema’s door elkaar werden gehusseld, waarschijnlijk ter afleiding van het feit dat welke beslissing de gemeente Rotterdam ook neemt op basis van welke informatie of welk algoritme dan ook, in een ordentelijk bestuurlijk proces geen schade voor individuen zou moeten kunnen hebben. Als dat wel zo is, dan zit er iets fout in het bestuurlijk proces, niet in het algoritme.

Uw idee van een ‘algoritme-waakhond’ is om verschillende redenen niet redelijk te noemen.

Ten eerste laat, bij enigszins geavanceerde toepassingen, een algoritme zich niet toetsen op de inhoudelijke kwaliteit omdat een algoritme bij dergelijke toepassingen inhoudsloos is. Wat het algoritme inhoudelijk doet, is in dat geval volledig afhankelijk van welke data er in gepleurd worden.

Ten tweede is er geen eenduidig, objectief criterium voor de kwaliteit van data.

Ten derde is de kwaliteit van de huidige ‘privacy-waakhond’, de Autoriteit Persoonsgegevens, dermate belabberd dat we mogen hopen dat die waakhond niet nog meer bijtbevoegdheden krijgt, terwijl er nog eens een club met blaffers naast zetten ook niet wenselijk is.

Erop vertrouwend hiermee relevant aan u teruggekoppeld te hebben.

Draghi’s inflatie raadsel

Veel zwaar-bezoldigde economen vragen zich af waar de inflatie blijft. Meneer Draghi, vooruitkijkend naar het aantreden van mevrouw Lagarde, heeft besloten nog gauw even kwantitatief te gaan verruimen, d.w.z. maandelijks tientallen miljarden in het Europese economie ‘te pompen’.

Hoewel het enigma heet te zijn – dat de inflatie ondanks die 300 miljard extra geld maar niet naar die 2% is gegaan – is de verklaring kinderlijk simpel. Draghi heeft dat extra geld niet in de economie gepompt maar in het financiële systeem. De ECB creëert geld om daarmee ‘geld-dingetjes’ te kopen. In de twintiger jaren van de vorige eeuw geldcreatie langs die route tot inflatie. Het geld bleef toen immers niet in het financiële systeem hangen. Ook de relatief rijke bankiers hadden toen nog onbevredigde, basale consumptiebehoeften. Vanuit het financiële stelsel kwam het extra geld snel terecht in de ‘echte’ economie. Soms zo snel dat het hyperinflatie veroorzaakte. In de een-en-twintigste eeuw zijn de basale consumptiebehoeften niet alleen bij de rijke bankiers maar ook bij het grootste deel van de middenklasse afdoende bevredigd. Nog meer hamburgers eten, nog vaker een reisje naar een Egyptische duiklocatie, dat is te veel van het slechte. Als Draghi het geld over zou maken aan onder-modalen en bijstandsgerechtigden, dan zou die gelukzalige 2% inflatie snel gerealiseerd zijn. Maar dat doet-ie dus niet.

Dat de inflatie niet zichtbaar is in de inflatiecijfers, wil niet zeggen dat er geen inflatie is. Soms blijft de inflatie latent. In Nederland, bijvoorbeeld, heeft de kwantitatieve verruiming geleid tot een forse stijging van de prijzen van koopwoningen. De banken hebben potten met geld extra, de rente is dankzij de ECB pieplaag, koopwoningconsumenten kunnen meer lenen tegen lagere kosten, en zo stijgen de huizenprijzen. De NHG speelt het spel mee door de grens voor de hypotheekgarantie periodiek tien- of twintigduizend op te hogen. In 2009, toen iedereen de ‘financiële crisis’ kritisch aan het becommentariëren was, heette zoiets ‘perverse prikkels’. Maar die financiële crisis is voorbij, de banken maken meer winst dan ooit tevoren, en van die crisis is niemand doodgegaan behalve het handjevol stakkers dat zich ergens voor verantwoordelijk achtte en zich een kogel door het hoofd heeft gejaagd, en degenen die niet doodgegaan zijn, zijn althans niet minder gaan consumeren vanwege die ‘crisis’.

Zo is sinds 2009 in Nederland in de prijzen van koopwoningen een latente inflatie van ongeveer 35% opgeslagen. Dat kan, als alles goed blijft gaan. Aan het einde van de looptijd kan er dan immers alsnog gecashed worden, en krijgt de inflatie toch nog een duwtje omhoog. Komt er iets tussen – er zijn nu meer derivaten in omloop dan voor 2008 – dan blijken die huizen veel minder waard dan verwacht en, voor degenen die ‘laat ingestapt zijn’, minder dan ervoor geleend is.

De meeste mensen zijn niet zozeer dom of verdorven. Ze hebben gewoon een verdomd slecht geheugen.

Krapte op de onderwijsmarkt?

Zo nu en dan wordt bericht over krapte op de onderwijsmarkt. Hiervoor zijn verschillende oorzaken te geven, waaronder het deeltijdbaan-fetisjisme en de mosterd na de maaltijd-certificering van een ‘lerarenregister’ of ‘assessor’-plakplaatjes van Certiforce.

Een factor die meestal over het hoofd gezien wordt, is het feit dat sommige onderwijsinstellingen zijn gaan jongleren met concurrentiebedingen en verboden op nevenwerkzaamheden.

Een mooi voorbeeld is Tio in Eindhoven. Deze particuliere instelling wil zich profileren in beroepsopleidingen voor hospitality. Binnen dat streven is het niet gewenst dat docenten die beroepsgerichte vakken geven, tevens werkzaam zijn bij andere onderwijsinstellingen die soortgelijke opleidingen verzorgen. Dat is niet onredelijk: deze docenten werken naast hun doceerbaan vaak in de hospitality-sector. Dat is voor studenten een pre. Als deze docenten echter van het doceren een voltijdsklus gemaakt hebben door bij twee of drie onderwijsinstellingen te doceren, dan verdampt de meerwaarde van deze docenten. Heel begrijpelijk, dus, dat Tio niet wil dat deze docenten ook bij een andere onderwijsinstelling nevenklussen.

Echter, dit verbod op nevenwerkzaamheden is bij Tio niet beperkt tot doceertaken bij andere onderwijsinstellingen in dezelfde opleidingsrichtingen:

“artikel 8 – verbod nevenwerkzaamheden

lid 1

Het is niet toegestaan gedurende de arbeidsovereenkomst direct of indirect werkzaamheden te verrichten voor een andere onderwijsinstelling in het mbo of het hbo of voor een daaraan gelieerde onderneming, die een opleiding aanbiedt die soortgelijk is aan een opleiding die de werkgever op enige vestiging aanbiedt.

Dit verbod ziet op het verrichten van werkzaamheden op basis van een arbeidsovereenkomst, een overeenkomst van opdracht of anderszins en betreft zowel bezoldigde als onbezoldigde werkzaamheden. Indirect werkzaamheden verrichten betekent in dit verband onder meer, maar is niet beperkt tot, het namens een opdrachtnemer van de onderwijsinstelling werkzaamheden verrichten bij die onderwijsinstelling. Een gelieerde onderneming betekent in dit verband onder meer, maar is niet beperkt tot, een rechtspersoon die wordt gecontroleerd door de onderwijsinstelling. Ter bescherming van het belang van de werkgever zijn dergelijke nevenwerkzaamheden ook niet toegestaan als werknemer zelf bij of ten behoeve van die andere onderwijsinstelling geen voor de werkgever concurrerende werkzaamheden verricht en misschien op een andere locatie van die onderwijsinstelling werkzaam is dan de locatie waar door de werkgever een soortgelijke opleiding wordt aangeboden. Dit verbod ziet zowel op onderwijsinstellingen die bekostigd onderwijs (door de overheid gefinancierd) aanbieden als op onderwijsinstellingen die niet-bekostigd onderwijs (particulier gefinancierd) aanbieden.

lid 2

Het is niet toegestaan gedurende de arbeidsovereenkomst direct of indirect werkzaamheden te verrichten die anderszins concurrerend zijn voor de werkgever, bijvoorbeeld, maar niet beperkt tot, (het behulpzaam zijn bij) het opzetten van een concurrerende onderneming.

Dit verbod ziet op het verrichten van werkzaamheden op basis van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht, het verrichten van werkzaamheden als zelfstandige, of anderszins en betreft zowel bezoldigde als onbezoldigde werkzaamheden.

lid 3

Daarnaast is het niet toegestaan gedurende de arbeidsovereenkomst nevenwerkzaamheden te verrichten indien de totale belasting van alle werkzaamheden van werknemer bij elkaar, te belemmerend kan zijn voor het functioneren van werknemer bij de werkgever, zulks ter beoordeling door de werkgever.

Dit betreft de totale belasting voor werknemer van al zijn werkzaamheden van welke aard dan ook bij elkaar, waaronder, maar niet beperkt tot, onbezoldigde en privé werkzaamheden.”

O, schending van artikel 8 komt de werknemer op een onmiddellijk opeisbare boete van 25.000 euro te staan, exclusief ontslag en eventuele aansprakelijkheidsstelling voor schade.

Wie niet is gaan lachen bij het lezen van deze bepaling, neemt arbeidscontracten mogelijk te serieus. Er is natuurlijk geen rechter in Nederland te vinden die een werknemer van Tio zou dwingen een boete van 25.000 te betalen omdat die tijdens het dienstverband twintig uur per week thuis heeft geklust of drie-en-dertig uur per week op de kinderen heeft moeten passen. Een rechter zal dat evenmin doen als een docent met een min/max-contract bij Tio met een minimum van vijf uur in de week, een deeltijddienstverband van nog eens vijf uur in de week bij een andere school is aangegaan. Deze bepaling in het arbeidscontract is door Tio bedoeld als een afschrikmiddel: pas op met nevenwerkzaamheden, want o wee o wee.

Ondertussen staat het er wel. Docenten die een min/max-contract bij Tio aangaan, worden daarmee dus effectief voor de rest van de werktijd van de onderwijsarbeidsmarkt afgetrokken.

DUO: dit houden we onder ons!

In de afgelopen jaren hebben onderwijsorganisaties, al dan niet naar aanleiding van de invoering van de AVG/GDPR, geïnvesteerd in het beschermen van de privacy van studenten en medewerkers. Scholen hebben een privacyreglement opgesteld, de software dichter bij het ‘Privacy by Design’-ideaal gebracht, en een Functionaris Gegevensbescherming aangesteld die met medewerkers heeft nagegaan of de organisatie voldoet aan de items die op de privacy-checklist van Kennisnet staan.

Die inspanningen zijn vast niet gedaan enkel om aan de wettelijke voorschriften te voldoen. Scholen zullen zich deze moeite getroost hebben omdat zij zich realiseren dat er in een onderwijsorganisatie langs allerlei routes informatie over personen stroomt, en daarbij informatie over een student of een medewerker terecht kan komen bij personen of organisaties waarvan die betreffende student of medewerker niet zou willen dat die informatie daar terecht komt.

Dit – de combinatie van goede intenties en inspanningen – stemt tot triestheid gegeven het feit dat het Ministerie van OCW slordig blijft omgaan met data die onderwijsinstellingen vanwege wettelijk voorschriften aan OCW moeten leveren.

Eén van de routes waarlangs het Ministerie van OCW de persoonsgegevens van leerlingen laat weglekken is de route langs ‘BRON’. In deze route zitten er twee structurele data-lekken.

Het eerste data-lek is dat de persoonsgegevens van leerlingen binnen het Ministerie van OCW niet met de wettelijk voorgeschreven vertrouwelijkheid worden behandeld. De Wet op het Onderwijstoezicht schrijft voor dat de persoonsgegevens uit ‘BRON’ aan de Minister mogen worden geleverd voor beleidsdoeleinden. Daarbij moeten, volgens het voorschrift Regeling Gebruik Gegevens BRON, paragraaf 4, artikel 9, de gegevens uit BRON zodanig worden bewerkt dat daaruit geen informatie meer afgeleid kan worden over geïdentificeerde of identificeerbare personen. Enige tijd terug moest de staatssecretaris van OCW in een juridische procedure evenwel toegeven dat de verwerking binnen het Ministerie niet zodanig is dat voldaan wordt aan deze bepaling. (ECLI:NL:RVS:2017:224) Het gevolg van dit datalek is dat ambtenaren niet-geanonimiseerde informatie van leerlingen in handen hebben terwijl deze ambtenaren denken dat zij met geanonimiseerde informatie aan het werk zijn. Dat is zoiets als een kind een geladen pistool geven en zeggen dat het een speelgoedpistool is. Het garandeert dat er persoonsgegevens over leerlingen ongecontroleerd in allerlei richtingen lekken.

Het tweede data-lek is dat het Ministerie van OCW de persoonsgegevens van leerlingen omzet naar geaggregeerde data – zoals gemiddelden per opleiding – en deze geaggregeerde data publiceert op Open Onderwijsdata. Aanvankelijk verkeerde het Ministerie van OCW daarbij in de veronderstelling dat hiermee geen persoonsgegevens aan de openbaarheid worden prijsgegeven. Tijdens de juridische procedure waarnaar hierboven verwezen is, is evenwel aan de staatssecretaris van OCW uitgelegd dat zij zich daarin vergissen en is geïllustreerd hoe uit deze geaggregeerde data informatie te halen valt over geïdentificeerde of identificeerbare personen. Desondanks is OCW doorgegaan met het publiceren van persoonsgegevens op Open Onderwijsdata en heeft de omvang van het datalek sindsdien nog wat groter gemaakt.

Onderwijsinstellingen hebben de mogelijk onmogelijke doch althans ondankbare want analytisch zinloze taak op zich genomen persoonsgegevens van leerlingen en studenten te beschermen, en OCW giet persoonsgegevens van leerlingen onbekommerd uit over de digitale straat.

Maar we houden dit dus onder ons…

2 MIO vingerafdrukken gehackt

Op 14 augustus 2019 meldden de media dat door het beveiligingsprobleem in het product Biostar van Suprema een miljoen biometrische data gehackt zijn. (BBC over Suprema-hack, Guardian over Suprema Hack). In de meeste media werd het feit dat Suprema vingerafdrukken niet had versleuteld, als oorzaak genoemd.

In de berichtgeving werd meestal aangenomen dat het niet versleutelen van vingerafdrukken een significant risico met zich mee brengt. Dit is echter niet noodzakelijk het geval. Stel dat je een database hebt met uitsluitend vingerafdrukken. Zou je deze database zonder versleuteling op het internet publiceren, dan is daar voor niemand of niets een risico aan verbonden. Iedereen heeft dan een lijst met vingerafdrukken, oké, maar niemand kan uit die lijst afleiden van wie welke vingerafdruk is of waarvoor die vingerafdrukken voor gebruikt kunnen worden: niemand kan er iets mee.

Wil het publiceren van (niet-versleutelde) vingerafdrukken voor iets of iemand een risico opleveren, dan moet er tenminste een aanvullend (niet-versleuteld) stukje informatie in de lijst zitten. Bijvoorbeeld de informatie dat de vingerafdrukken dienen om toegang te krijgen tot het Paleis van Justitie in Amsterdam. Als het Paleis van Justitie zo slecht beveiligd is dat een vingerafdruk genoeg is, zou je een vingerafdruk uit de lijst dan mogelijk kunnen gebruiken om het Paleis van Justitie binnen te lopen.

Sommigen zouden bij dit gebruik spreken van  identiteitsfraude (je zou door het gebruik van een vingerafdruk van een ander de identiteit van die ander aannemen). Dat is niet zorgvuldig. Omdat je niet weet van wie je de identiteit aanneemt, gaat je gedrag niet verder dan  toegangsfraude. De privacy van degene bij wie de vingerafdruk hoort, is niet in geding.

Wil de privacy van de ‘eigenaar’ van de vingerafdruk in geding komen, dan moet de database naast de (niet-versleutelde) vingerafdruk nog tenminste een andere (niet-versleutelde) identificator bevatten, zoals de naam van de betrokkene of diens BSN of werknemer-nummer, en moet degene die de database raadpleegt het verband kunnen leggen tussen de verschillende (niet-versleutelde) gegevenselementen.

Uit de berichten in de media werd meestal niet duidelijk of mensen die de database zouden hebben geraadpleegd een zodanig verband zouden hebben kunnen leggen tussen niet-versleutelde gegevens dat daardoor daadwerkelijk een risico voor de beveiliging of voor de privacy was gecreëerd. Voor wie wil nagaan of niet-versleuteling daadwerkelijk risico’s heeft opgeleverd, moet de blog raadplegen waarop de hack is gemeld. (Blog vpnMentor) Daaruit blijkt dat er inderdaad een risico voor beveiliging en privacy is geweest. Vingerafdrukken speelden daarbij een rol maar een relatief ondergeschikte.

Voor de technici: als een database is opgebouwd volgens de principes van de Lambda Architecture is versleuteling van informatieve gegevenselementen overbodig. Het is afdoende als de verbindingsbruggen tussen de atomaire informatie in de database adequaat versleuteld zijn.

Rente en inflatie 2019

Het schijnt een enigma te zijn: zeer lage rente, kwantitatieve verruiming en toch maar geen inflatie.

Toch is dit fenomeen niet zeer ingewikkeld. Het is ook niet nieuw. De stromen geld die door de lage rente en de kwantitatieve verruiming in de economie ‘gepompt’ worden, stromen langs partijen en consumenten die aan de top van hun investerings- of consumptiepatroon zitten. Europese bedrijven die willen innoveren zoeken kansen in het buitenland; de toch al wat obese consumenten kunnen niet nog meer hamburgers naar binnen duwen, of nog vaker naar CenterParcs gaan. Al dat extra geld wordt door zakelijke beleggers opgeslagen in beleggingspakketten. Hoewel het gerucht hardnekkig is dat aandelenmarkt last hebben van ‘onzekerheden’ in de mondiale politiek, zijn de Brexit en de ‘handelsoorlog’ voor professionele beleggers goudmijntjes. Hoe meer volatiliteit, hoe hoger het rendement op derivaten en termijntransacties. Consumenten die het extra geld niet nodig hebben voor de dagelijkse levensbehoeften, stoppen het extra geld in vastgoed. In Nederland wordt de inflatie die de heer Draghi in de consumenteninflatiecijfers terug zou willen zien, opnieuw opgeslagen in de stijging van de huizenprijzen.

Dat piramidespel kan lang goed gaan. Als het kaartenhuisje in elkaar dreigt te storten, is er bovendien soms een reddende engel. Voor de millenniumwisseling speelden de ICT-hype en de economische hervoring van China die rol. Tien jaar later speelden ze die rol opnieuw, maar het duurde wat langer voordat ze op het toneel konden verschijnen. Volgens het ‘scheepsrecht’ zijn ze bij de volgende ronde uitgespeeld.

Er gloort echter hoop aan de horizon: De duurzaamheidseconomie. We kunnen er de klimaatverdraaiing niet mee terugdraaien, en alle afvalbergen blijven natuurlijk groeien. Maar omdat het effect van klimaatmaatregelen zich sowieso niet laten doorrekenen, kunnen we er een hele tijd geld in pompen, bedrijven draaiende houden, mensen aan het werk houden, en toch vrolijk door-consumeren.