Aanval op de natiestaat, Thierry Baudet

Naar aanleiding van het rumoer rond Baudet refereerde Rob Schouten met instemming aan de oproep van oud-kamervoorzitter Verbeet tot verdieping in het conservatieve gedachtengoed. (Trouw, 23 maart 2019) Bijna simultaan betoogde de voorzitter van het Vlaams Blok in het programma De Afspraak dat Baudet niet zomaar weggezet kon worden als een racist, omdat die toch een serieuze en diepgaande studie over de aanval op de natiestaat had geschreven.

“De aanval op de natiestaat” is niet duur en de mensen die ’s-Nachts werken bij bol.com doen dat ook in de nacht van zondag op maandag.

Het boek van Baudet telt 468 pagina’s, de hoofdtekst beslaat 332 pagina’s, het notenapparaat 74 pagina’s, de bibliografie 33 pagina’s, het register 7 pagina’s. Zo’n boek laat zich niet tussen de bedrijven door in één dag lezen van beginletter tot eindletter. Maar promotoren en opponenten van de Universiteit van Amsterdam schijnen de Engelse versie van het boek zorgvuldig doorgenomen te hebben, dus als onbezoldigde lezer kun je de moeite besparen van het controleren van noten, bibliografie en register. Dat zou een onbezoldigd lezer die geen digitale versie van de tekst heeft, ook niet soepel kunnen doen.

` Nu ja, vooruit dan: volgens het register figureert Roger Scuton vier keer in het boek, op de pagina’s 240, 296, 305 en 392. Op de pagina’s 240, 296 en 305 duikt Scruton inderdaad op. Op pagina 392 is hij evenwel onvindbaar. Op pagina 391 wordt hij wel vernoemd. Behalve op de pagina’s die genoemd worden in het register figureert Scruton althans ook op de pagina’s 384, 385, 409, 412, 413, 415, 418, en 423, terwijl hij op pagina 461 is opgenomen in de dankbetuiging. De motivatie achter het controleren van het register op dit detail is dat het bij geleerde studies nogal eens wil voorkomen dat de onderzoeker in de bibliografie verwijst naar boeken en artikelen die in het notenapparaat niet voorkomen. De oorzaak daarvoor is dat je als onderzoeker het inkloppen van al die titels en namen in de bibliografie een vreselijke klus is, die dus als apart deelproject wordt afgehandeld zonder dat de verbinding met de hoofdtekst wordt onderhouden. Zo zijn er in de bibliografie 9 boeken en artikelen van Scruton opgenomen waarvan er drie ‘verwijzingsloos’ zijn.

Inhoudelijk

Over naar de zaak. De reden dat we ons in het gedachtengoed van Baudet schijnen te moeten verdiepen, is dat het enerzijds bovengemiddeld diep schijnt te zijn, terwijl het anderzijds zodanig gepresenteerd schijnt te worden dat hele hordes kiesgerechtigden erachteraan lopen. Het is de populistische, rechtserige, voor mijn part racistische mantra’s die hem zo aantrekkelijk schijnt te maken. Daar zou dan iets van terug te vinden moeten zijn in dit boek. Als we het betoog van Baudet in zijn aanval op de aanval op de natiestaat proberen samen te vatten in iets wat met gemak in een ingezonden brief zou kunnen passen, dan is het zoiets:

1. Een democratie kan alleen slagen in een natiestaat; 2. Een natiestaat vereist souvereiniteit over een grondgebied en een bevolking met een gedeelde cultuur. 3. De natiestaat wordt aangeknaagd door supranationale organisaties als de EU en door de ideologie van het multiculturalisme. Dus 4. We moeten de natiestaat gaan redden (= afschaffen van die supranationale clubs en we moeten stoppen met dat multiculturalisme).

De drie premissen spreken niet voor zich, en de conclusie volgt niet logisch-deductief uit de premissen. Zo zou iemand die – al dan niet door het volgen van de Brexit-soap en de Trump/Mueller-soap – niet veel op heeft met de democratie, de vraag kunnen stellen waarom de natiestaat gered moet worden. Maar in Nederland stellen of betogen dat de democratie een achterlijke staatsvorm is en dat China allang heeft laten zien dat een samenleving zonder democratie beter af is, is ook in de populistische kerk vloeken, want zo politiek-correct is het populisme dan nog wel, en de club van Baudet heet “Forum voor Democratie”, dus zo’n betoog zou zich onmiddellijk buiten zijn denkbubbel begeven. Laten we dus doen alsof de reeks stellingen (1) t/m (4) iets als een redenering voorstellen, die bovendien ongeveer uitdrukken wat Baudet zou kunnen zeggen als hij zijn gedachten uitdrukt zonder poëtische of en academische overhead.

Hoe is deze gedachtengang in het boek uitgewerkt? Daargelaten de inleiding en de uitleiding en andere passages waarin Baudet deze ideeënreeks min of meer letterlijk heeft neergepend.

Deel I: De opkomst van de natiestaat. Hoofdstuk 1: De staat. Baudet hervertelt hier de opkomst van het centrale gezag tegen de achtergrond van het versplinterde, decentrale gezagsverhoudingen in de middeleeuwen. Historiografisch biedt het geen boeiende inzichten, maar het is niet geschiedvervalsend, en het is wel een aardige route naar het thema soevereiniteit.

Hoofdstuk 2: Soevereiniteit. Wat een moeilijk begrip is, ‘soevereiniteit’, waarover onder geleerder dan ook allerlei diepgaande discussies lopen die Baudet, nadat hij enkele van de paden door de lectuur heeft gevolgd, platslaat door terug te vallen op het meest gangbare begrip van soevereiniteit waarin iemand of iets de baas is over een bepaald gebied. Of die soevereiniteit nu verworven is door brute kracht, slaafse onderwerping, of redelijke instemming met een sociaal contract, doet er eigenlijk niet toe. Want het gaat om iets anders.

Hoofdstuk 3: De natie. Er zijn drie soorten naties: verlicht-universalistische, romantisch-particularistische en de multicultureel nationalistische. De laatste van de drie is volgens Baudet de enige echte: een natie is een staat die soeverein is op een bepaald grondgebied waar mensen wonen die ongeveer dezelfde normen en waarden koesteren. O, voor wie mocht denken dat Baudet een platte xenofoob is of zo: zijn natie staat binnenkomers toe. Mits ze zich ongeveer gaan gedragen als de reeds ingezetenen, dat spreekt. Anders is het gevoel van verbondenheid, van loyaliteit aan de gemeenschap weg. O, en die koppeling aan een bepaald grondgebied is noodzakelijk, want anders zou een stammengemeenschap ook als een natie aangemerkt kunnen worden. En, o, die soevereiniteit is noodzakelijk, want anders zouden organisatie als de EU en de Verenigde Naties ook als een natie aangemerkt kunnen worden.

Voor wie de populistische redenering wil teruglezen in het boek: de hoofdstukken 1 en 2 zouden overgeslagen kunnen worden, in hoofdstuk 3 begint de redenering met het poneren van stelling (2). Die stelling wordt geponeerd in oppositie met twee kennelijk alternatieve opvattingen. In weerwil van de uiteenzetting van Baudet sluiten de drie ‘visies’ op naties elkaar niet uit. Een natie kan ‘verlicht-universalistisch’ zijn terwijl toch de hele bevolking eensgezind en met heftige emoties voor de buis gaat zitten kijken naar Oranje op de WK-voetbal. Baudet roept een tegenstelling in concepten op die zich in de werkelijkheid niet hoeft laten gevoelen. Hij moet dat doen omdat verderop het universalisme en het particularisme als ‘vijand’-posities gaan figureren. Je moet als lezer dus doen alsof de tegenstellingen helder en scherp zijn, anders ben je Baudet verderop kwijt en vice versa.

Deel II: De aanval op de natiestaat Hoofdstuk 4: Supranationale gerechtshoven. Het Internationaal Strafhof, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Internationaal Gerechtshof nemen beslissingen die de soevereiniteit van staten die aangesloten zijn, doorkruisen. Dit hoofdstuk is informatief en je zou het kunnen lezen zonder je te laten afleiden door de redenering die Baudet wil gaan opzetten. Ook voorbeelden die Baudet geeft ter illustratie van de stelling dat supranationale clubs de soevereiniteit bedreigen, kun je lezen als een illustratie van de spanning die er tussen de verschillende gremia van de macht kunnen ontstaan, en van het feit dat er ergens in de hiërarchie sprake moet zijn van machtswillekeur of, netter geformuleerd, van politieke afschattingen. Dat kun je als lezer meenemen zonder te kiezen voor de natie als het enige niveau waarop macht redelijk toegepast kan worden.

Hoofdstuk 5: Supranationale organisaties. De Wereldhandelsorganisatie, de VN-Veiligheidsraad en de EU zijn pakken van hetzelfde supranationale laken. Ook dit hoofdstuk is informatief en je kunt het ook weer lezen zonder mee te gaan met wat Baudet wil. De bespreking van supranationale organisaties is tegen de achtergrond van het sterke hoofdstuk 4 wel een anticlimax. Dat komt waarschijnlijk doordat Baudet hier zijn vertrouwde speelveld van het recht verlaten heeft en doordat de WTO nauwelijks gebruik heeft gemaakt van de supranationale bevoegdheden ende VN-veiligheidsraad zichzelf vaak uit de macht laten veto-en. Met de EU had Baudet meer kunnen doen maar ten tijde van het schrijven van zijn proefschrift wist Baudet natuurlijk nog niet dat de Engelsen de soevereiniteitskaart naar de EU zouden gaan trekken en wat voor gepruttel dat allemaal zou gaan geven.

Hoofdstuk 6: Multiculturalisme. Dit is, voor de redenering van Baudet, het sleutelhoofdstuk. Immers, zoals hij verderop zal toegeven, als de EU de soevereiniteit van de lidstaten overgenomen zou hebben, dan zou het supranationalisme van de EU niet zeer bezwaarlijk zijn. Het supranationalisme van de EU zou – zoals sommigen nog immer volhouden – enkel een fase zijn op weg naar de federale natie die naar de criteria van Baudet soeverein zou zijn. Omdat er in de geschiedenis voortdurend verschuivingen in soevereiniteiten plaatsgevonden hebben en er altijd ‘grensgebieden’ zijn geweest waarbij een stukje soevereiniteit in wording niet meer was dan een plukje supraheerlijkheid over allerlei kleinere heerlijkheden, zou Baudet ook niet staande kunnen houden dat supranationale tendensen op zichzelf slecht en bedreigend zijn. Baudet benoemd in dit hoofdstuk een meer bedreigende vijand, het rechtspluralisme: de situatie waarin voor mensen die binnen een rechtsgebied wonen niet dezelfde regels en wetten gelden. Maar door die vijand te benoemen, krijgt hij zijn redenering niet aan de zwier. Immers, rechtspluralisme is niet alleen bedreigend voor soevereine staten die een rechtstaat willen zijn, maar ook voor supranationale clubs die een redelijke en rechtvaardiging ordening in de wereld willen brengen. In hoofdstuk 6 speelt Baudet de multiculturele kaart. Hij meent dat het multiculturalisme heeft geleid tot rechtspluralisme: wetgevers en rechters zijn de culturele achtergrond van burgers gaan betrekken in wetgeving en rechtspraak. Tegen deze aantasting van de rechtstaat in een gezonde, soevereine natie zich verzetten. Maar – dat is het venijn van dat supranationale gebeuren! – clubs als het Internationaal Strafhof en de EU hebben soevereine naties pootje gelicht. Die liggen daardoor weerloos achterover terwijl de multiculti’s eroverheen trappelen.

De wijze waarop Baudet de motieven multiculturalisme en supranationalisme aan elkaar plakt is vermakelijk. Rechtspluralisme kan allerlei bronnen hebben, en is dan ook eerder regel dan uitzondering. Ouderen worden door de wetgever anders behandeld dan jongeren, mannen worden anders behandeld dan vrouwen, ondernemers worden anders behandeld dan werknemers, wie in een toch redelijk geordend landje als Nederland op zoek gaat naar rechtsongelijkheden kan ze overal vinden. Baudet stoort zich vooral aan rechtsongelijkheden waarin de culturele achtergrond een rol lijkt te spelen. Hij is daarin niet de enige. Hij is ook niet de enige die bij het zoeken van rechtszaken waarin de culturele achtergrond een rol gespeeld lijkt te hebben, overwegend casus heeft gevonden waarin de islamitische achtergrond van betekenis lijkt te zijn geweest. Of nee, wacht, de SGP die deed ook ooit beroep op een culturele achtergrond, en die ambtenaren van de burgerlijke stand die geen homohuwelijken wilden sluiten, die deden dat ook. Net als gewetensbezwaarden en mensen die hun kinderen niet willen laten inenten. Maar, oke, als een rechter gaat besluiten dat moord uit eerwraak in Nederland niet meer strafbaar is omdat eerwraak deel uitmaakt van een of andere cultuur, dan mag daar een punt van gemaakt worden. Tot dusver is zo’n uitspraak evenwel nog niet in de juridische annalen opgetekend.

Premisse (3) van zijn redenering krijgt Baudet niet rond. Zijn plakbouwwerk ziet er vooral koddig uit: supranationale organisaties die vanuit universalistische idealen het rechtsparticularisme in de kaart spelen. Ziet Baudet – hoogontwikkeld en hooggeleerd – niet dat dit de zoveelste illustratie is van de contextafhankelijkheid van ‘de Gouden Regel’ c.q. van Kants categorische imperatief? Dat is een ernstig probleem, maar het is van alle tijden en van alle naties en heerlijkheden, en staat of valt niet met multiculturalisme. In mijn middelbare schooltijd – lang, lang geleden – werd het probleem bij maatschappijleer aangesneden met vragen als ‘moet je tolerant zijn tegenover mensen die niet tolerant zijn?’. Die vraag schijnt nog immer geen bevredigend antwoord te hebben gekregen. Toentertijd speelde de multiculturele dimensie nog niet. Die dimensie is kennelijk niet nodig om op dilemma’s te stuiten.

Om weg te blijven van de beschuldiging dat hij een racist is of zoiets, moet Baudet in dit hoofdstuk bovendien vals spelen. Hij zegt multicultureel nationalisme voor te staan. Om het multiculturalisme als grote vijand van de democratie te presenteren, moet hij onderscheid maken tussen twee soorten ‘multiculturalisme’. Baudets multiculturalisme is de ‘open’ variant, die waarin groepen mensen prima met elkaar kunnen samenleven terwijl ze toch op heel verschillende manieren koken. Die variant leidt niet tot rechtspluralisme, althans niet zolang kookgewoontes niet in de rechtszaal besproken worden. En dan heb je de ‘gesloten’ variant, die waarin de ene groep burgers uit eerwraak aan het moorden slaat terwijl de andere groep burgers abortus niet wil toestaan vanwege de heiligheid van het leven, en rechters wetten buigen en breken om zowel eerwraakmoordenaars als abortusplegers vrij te kunnen spreken. Aan het einde van het hoofdstuk gaat hij jongleren met citaten waarbij hij mevrouw Merkel de term ‘multicultureel’ in de ‘gesloten’ variant laat bezigen terwijl zij zeer waarschijnlijk de term in de ‘open’ variant gebruikten. Het is een trucje dat Baudet opgepikt zal hebben van Paul Scheffer en andere crypto-Fortuynisten.

Deel III: Het belang van de natiestaat Hoofdstuk 7: De democratische rechtsstaat. In dit hoofdstuk moet Baudet het gat dichten tussen de natiestaat die een rechtsstaat wil zijn, en de democratie als beste of enige staatsvorm waarin de natiestaat een rechtsstaat kan zijn. Hij is echter eerlijk genoeg om het gat onoverbrugbaar te maken. “Theoretisch kan die legitieme regering volstrekt ondemocratisch zijn.” (pagina 261, verwijzend naar een artikel van David Apter, maar Baudet had hier ook kunnen verwijzen naar een of andere klassieke Griek.) Hij probeert er nog wat van te maken: “In de politiek is het echter zeer onwaarschijnlijk dat het landsbestuur langdurig wordt ervaren als ‘vertegenwoordigend’ zonder inspraak of zeggenschap van het volk.” (p. 261, verwijzend naar de Federalist Papers die Alexander Hamilton, James Madison en John Jay tussen 1787 en 1788 schreven; politicologen krijgen nog steeds stipendia om uit te zoeken welke regeringsvorm werkt, maar Hamilton, Madison en Jay waren er twee-en-halve eeuw terug al uit.) Maar tja, recentelijk heeft China het tegendeel bewezen en in de geschiedenis zijn er tientallen zo niet tienduizenden voorbeelden te geven van gemeenschappen die prima draaiden zonder noemenswaardige inspraak of zeggenschap van het volk.

Echter, misschien hoeft Baudet hier niets te bewijzen omdat bijna al zijn lezers, inclusief de kritische intellectuelen, effectief in de richting van democratische mantra’s geïndoctrineerd zijn. Laten we eens de advocaat van de duivel spelen, en doen alsof een democratie echt nodig is voor een redelijke en rechtvaardige rechtsstaat. Dan moet Baudet nog steeds aantonen dat het multiculturalisme – in de ‘gesloten’ variant – de democratie ondermijnt. Baudet heeft verzuimd dat argument te geven. Als hij er zich toe zou zetten, dan zou hij zich er ook behoorlijk voor moeten inspannen. Hier bijt dreigt zijn argumentatie zichzelf in de staart te bijten. ALS het multiculturalisme – in de ‘gesloten’ variant – tot rechtspluralisme leidt, dan kan de democratie grote, ogenschijnlijk onoverbrugbare tussen burgers moeiteloos opvangen. De burgers met verschillende culturele achtergronden hoeven het niet meer eens te worden over de inhoud van de wetten, omdat verderop in de keten de wetten zodanig gebogen en gebroken worden dat mensen met verschillende culturele achtergronden verschillend worden behandeld. Wil Baudet het gevaar van het multiculturalisme richten op de democratie, dan moet die het rechtspluralisme c.q. de rechtsongelijkheid daarvan laten samenvloeien met een disfunctionerende democratie. Kan hij dat, dan lijkt hij zijn hoofdstuk over de democratische rechtsstaat te kunnen schrappen.

Hier moet Baudet zwaar in gaat zetten over het maatschappelijke draagvlak. Bij rechtsongelijkheid – en specifiek de rechtsongelijkheid die het gevolg is van ‘gesloten’ multiculturalisme – wordt het maatschappelijk draagvlak aangetast. Burgers ‘herkennen’ zichzelf en hun cultuur, hun Leitkultur niet meer in de overheid. Want wat de een redelijk en billijk vindt, vindt de andere niet redelijk of billijk. Als dit zijn pleidooi voor de democratie is, dan heb ik nieuws voor Baudet. Er is onder partijen nooit of te nimmer sprake van overeenstemming over wat redelijk en billijk is. Daarover kunnen mensen zonder godsdiensttwist ruzie maken.

Hoofdstuk 8: Drogredenen die de aanval begeleiden. Wie tijd over heeft, kan dit hoofdstuk doornemen. De argumenten die in het ‘debat’ voor of tegen de natiestaat gegeven worden, hebben aan beide kanten een hoog drogreden-gehalte, en het laat zich natuurlijk verdedigen dat oorlogen die door historici veelal toegeschreven worden aan opkomend nationalisme ook toegeschreven zouden kunnen worden aan de onderdrukking van opkomend nationalisme.

Hoofdstuk 9: Zonder ‘wij’ gaat het niet. Dat schijnt een citaat van Paul Scheffer te zijn. In dit hoofdstuk zal dus niets nieuws staan. Baudet gooit er nog een epiloog achteraan, maar dat is een moeizame herhaling van de samenvatting van zijn standpunt in het woord vooraf, aangevuld met wat wazige tips over hoe het allemaal beter kan. De multiculturele vijand verdwijnt na twee bladzijden uit beeld, dus zo bedreigend lijkt die toch niet te wezen.