Vaccinatie-bubble

De data die tot dusver zijn verzameld over COVID-19 geven sterke empirische ondersteuning aan de volgende beweringen:

1. Indien morgen alle Nederlands besmet zouden raken met COVID-19, zou 2 tot 3% van de Nederlanders daar significante medische consequenties van ondervinden.

2. De mate waarin een individu significante medische consequenties ondervindt van COVID-19 is sterk gecorreleerd met een cluster van factoren, de risicofactoren.

3. Voor veel – niet alle – risicofactoren geldt dat, voorafgaand aan de COVID-19-pandemie en onafhankelijk daarvan, in de medische informatiesystemen voldoende data zijn verzameld om binnen de Nederlandse bevolking risicogroepen te benoemen en – met een kwantificeerbare onzekerheidsmarge – in kaart te brengen.

Voor wie deze beweringen onderschrijft, volgt:

4. Indien er een vaccin zou zijn dat de risicogroepen effectief beschermd tegen het virus, kunnen de significante medische consequenties van de COVID-19-pandemie effectief worden bestreden door enkel de leden van de risicogroepen te vaccineren.

Handelend volgens (4) zou het vaccinatietraject in ongeveer 1 maand en 3 weken afgerond kunnen zijn, en zou Nederland over kunnen gaan tot de orde van de dag.

Dat overheden, daarin kennelijk ondersteund door ter zake deskundigen, een pad zijn ingeslagen dat gericht is op het vaccineren van de gehele bevolking of een zeer groot deel van de bevolking is enkel redelijk indien zij sterke redenen hebben om althans één van de drie beweringen (1) tot en met (3) niet te onderschrijven of te denken dat de huidige vaccins de risicogroepen niet effectief beschermen tegen het virus.

Uit de toelichtingen van bewindslieden en ter zake deskundigen tot dusver in de openbaarheid hebben gegeven, is evenwel vooralsnog niet duidelijk welke van de drie beweringen volgens hen onjuist zijn terwijl er allerwege sprake lijkt te zijn van de aanname dat de vaccins risicogroepen effectief beschermen.

Het lijkt erop dat men de aanname dat de bevolking in z’n geheel gevaccineerd zou moeten worden, niet analytisch-kritisch heeft getoetst.

Een verklaring hiervoor kan zijn dat het concept van kudde-immuniteit blijft rondzingen. Dit concept is er in twee smaken:

A) Kudde-immuniteit als gevolg van een niet geremde verspreiding van een virus onder het deel van de bevolking dat geen of beperkte hinder ondervindt van de besmetting maar door de besmetting – voor enige tijd – immuun is voor het virus.

B) Kudde-immuniteit als gevolg van het vaccineren van een groot deel van de bevolking.

In beide gevallen zouden risicogroepen effectief afgeschermd kunnen geraken van het virus.

Op dit moment is nog niet duidelijk hoe groot het deel van de bevolking moet zijn dat immuun is, wil er sprake zijn van kudde-immuniteit. Dit percentage is onder meer afhankelijk van de reproductiefactor R0. Deze reproductiefactor kan in de huidige situatie niet betrouwbaar bepaald worden omdat overheden en burgers maatregelen nemen om zich tegen het COVID-virus te beschermen. Als alle burgers in zelf-quarantaine gaan, daalt de gemeten reproductiefactor naar 0. Het kunstmatig – door maatregelen – omlaag brengen van de reproductiefactor geeft geen zicht op het immuniteitspercentage dat voor kudde-immuniteit vereist is. Om dit percentage te bepalen zouden we moeten weten wat de reproductiefactor is als overheden en burgers geen enkele beschermingsmaatregel zouden nemen. Daartoe bewust een proefopstelling creëren is maatschappelijk niet aanvaardbaar. Onbewuste proefopstellingen – in Italië in februari 2020 en in landen waar overheden nauwelijks beschermingsmaatregelen hebben genomen – geven een gevarieerd beeld met reproductiegetallen tussen 5 en 65. Vanwege de lange incubatietijd en de overwegend milde en soms geheel ontbrekende symptomen bij een Covid-19-besmetting is het redelijk aan te nemen dat het reproductiegetal bij Covid-19 zo hoog is dat voor kudde-immuniteit meer dan 95% van de bevolking immuun moet zijn.

Er is sprake van consensus over het feit dat variant A een zodanige bijsmaak heeft dat het bewust inzetten op deze vorm van kudde-immuniteit, medisch en maatschappelijk ongewenst is. Als een overheid hierop inzet, zal het aantal doden de limiet raken die tot uitdrukking komt in het fataliteitspercentage. 2 tot 3% van de bevolking zal rechtstreeks ten gevolge van Covid-19 overlijden. Omdat in deze situatie de capaciteit van de zorg overbelast raakt, zal de oversterfte veel hoger zijn.

Daarom zetten overheden – min of meer stilzwijgend of mogelijk zelfs onbewust – in op variant B. Als beleidsstrategie is dit, gegeven de aannames (1) tot en met (3) enkel redelijk indien bekend is dat de huidige vaccins de risicogroepen niet effectief beschermen of deze groepen daar ernstige bijwerkingen van ondervinden. Er zijn vooralsnog geen data bekend gemaakt waaruit blijkt dat juist de risicogroepen niet door de vaccins beschermd worden of deze vaccins juist voor de risicogroepen extra riskant zijn. Toch lijken overheden ervan uit te gaan dat het enkel toedienen van vaccins aan leden van de risicogroepen niet de meest gerede benadering is.

Methodologisch is hier een punt van aandacht dat de vaccins getest zijn op steekproefpopulaties waarin de risicogroepen ondervertegenwoordigd zijn geweest.