Het is oorlog, maar niemand die het ziet?

Geachte redactie,

Op de achterflap van “Het is oorlog, maar niemand die het ziet” zegt Beatrice de Graaf dat het een ‘pageturner’ is, “met helden, schurken, nederlagen en overwinningen”.

Nu had ik er geen flauw idee van wie Beatrice de Graaf is. Begint het ge-google al. Zij – geboren in 1976, op 19 april – schijnt hooglerares aan de Universiteit van Utrecht te zijn en zit op een leerstoel met de titel History of International Relations & Global Governance, heeft ook interesse getoond in terrorisme en is volgens een van de lijstjes van Opzij zo nu en dan een van de 100-invloedrijkste vrouwen van Nederland en – o, zij is geboren in Putten – is bekend van de televisie waar zij regelmatig optreedt als terrorisme deskundige maar zij doet ook dingen voor haar kerk – want lid van de CU, of andersom – en zij schrijft ook stukjes voor NRC.

Dat krijg je, als je geen kranten leest en niet aanschuift bij een van de zeventien dagelijkse babbeltafels op de Nederlandse televisienetten: je moet de mensen die volgens achterflappen op enig gebied in den lande gezaghebbend heten te zijn gaan googlen.

Op de achterflap staat ook een aanprijzing van Matthijs van Nieuwkerk (“Dit is nog beter dan John le Carré, want het is waar.”) maar van hem wist ik dat hij deskundig is in uitleggen waarom Hotel California in een bepaald jaar wel, of juist niet bovenaan de top 2000 moet staan, dus dat zijn intellectuele bagage niet toereikend zal zijn om enig oordeel te kunnen vellen over boeken van John le Carré of boeken van om het eender wie, is evident.

Voorts een tekst die toegeschreven wordt aan De Correspondent, die geen correspondent blijkt te zijn maar een schrijverscollectief dat artikelen die in het buitenland zijn geschreven door echte correspondenten en onderzoekers in Theo Koomen-stijl hertaald naar het Nederlands, en een tekst van Maxim Februari die, nu zij een man is, zich kennelijk genoopt voelt zich voor meer zaken uit te lenen dan toen hij nog een vrouw was.

Maar, tja, volgens de titel of ondertitel woedt er ergens – niet in Jemen, niet in Syrië, niet in de Oekraïne, niet in Sudan, niet in noord-Mexico, en niet op een van die tientallen andere plaatsen waarvan zelfs voor wie geen kranten leest hoorbaar of voelbaar is dat mensen elkaar daar naar het leven staan, maar ergens anders – een oorlog waarvan niemand op de hoogte is, althans niet door middel van het gezichtsvermogen. Behalve Huib Modderkolk, onderzoeksjournalist van De Volkskrant, die de oorlog in dit boek zal gaan tonen. Zo’n boek kun je niet naast je neer leggen, althans niet als je straks – als de coronahype erop zit en iedereen zich heeft neergelegd bij het feit dat een kronkeling van wat chemische elementen de mensheid zo niet vandaag of morgen dan toch overmorgen weg kan vagen en de meditaties van Marcus Aurelius nog weer eens herdrukt zijn – op een door Rutte en de andere anderhalve-meter fetisjisten nog juist toegestaan verjaarpartijtje goede sier wilt kunnen maken…

“Maar Ronald, “ (geboren 17 april 1947, schrijft stukjes voor De Telegraaf),“wist jij dan nog niet dat de wereld in oorlog is? Heb jij het boek van Huib Modderkolk dan nog steeds niet gelezen? Want daarin wordt het getoond, van die oorlog…”

Het boek van Modderkolk is overigens niet geïllustreerd. Behoudens het omslagontwerp van Philip Stroomberg dat een vrouw toont die zit te typen op een schoottop kennelijk niet beseffend dat zij wordt omgeven door een zwarte, tsunami-achtige golf.

In het boek van Modderklok komen verschillende thema’s en uitwerkingen langs. Het boek heeft geen duidelijke opbouw of inhoudsopgave, dus ik heb zelf een lijstje gemaakt:

  • Internationale spionage van landen.
  • Internationale spionage van landen met behulp van digitale middelen.
  • Internationale spionage van landen met behulp van technieken die volgens enige regel of wet eigenlijk niet geoorloofd zijn.
  • De toename van digitale middelen door individuen die officieel niet in verband staan met enige overheid, maar misschien officieus toch wel.
  • Bombardementen op onschuldige burgers in Somalië.
  • De rol van Nederlandse veiligheidsdiensten in de internationale spionage.
  • Hacking en cybercriminaliteit in het algemeen.
  • De bedreiging die digitale technieken voor de privacy vormen.
  • De techniek van het internet en de techniek van het hacken.
  • De misschien te dominante rol van Fox-IT.
  • Het karakter van Ronald Prins.
  • De hack bij DigiNotar.
  • Het referendum over de ‘sleepwet’.
  • Het verband of het mogelijke verband tussen de hack bij DigiNotar en de executie van Iraanse demonstranten (in Iran).
  • De rol van Leaseweb in het internetverkeer en het mogelijk verband met de mogelijke criminelen achter ZeuS.
  • De aanval of vermeende hack bij de Democratische Partij in de V.S..
  • Het verband of het ontbreken van een verband tussen Kaspersky en de Russische overheid.
  • De hack bij Belgacom en de verontwaardiging van Belgische politici over die hack en de ontkenningen van die hack en die verontwaardiging door Belgische politici.
  • De problemen die een journalist ervaart bij het vinden van betrouwbare bronnen die hem iets kunnen vertellen over de wijze waarop overheden elkaar bespioneren.
  • Het feit of het mogelijke feit of het vermeende vermoeden dat de journalist bij het verzamelen van informatie over de wijze waarop overheden elkaar bespioneren door overheden of andere partijen via de modem is gehackt en afgeluisterd (2x).

Het lijstje is niet compleet maar het lijstje tot dusver illustreert afdoende dat Modderkolk zeer veel, op zich niet per se oninteressante of irrelevante onderwerpen aansnijdt terwijl de beperkte omvang van het boek (circa 250 pagina’s) het tot een bovenschrijverlijke prestatie zou hebben gemaakt als Modderkolk al die onderwerpen daadwerkelijk enigermate informatief en relevant zou hebben kunnen uitwerken.

Het is niet verbazingwekkend dat Modderkolk die überprestatie niet heeft geleverd. Het boek is een allegaartje van thema’s waarvan de uitwerking in de meeste gevallen niet dieper gaat dan de lead van krantenartikelen die erover gepubliceerd zijn. Veel onderwerpen worden enkel twee- of zesmaal genoemd, met dan twee- of zesmaal ongeveer dezelfde informatie. Daar waar Modderkolk een onderwerp daadwerkelijk enigszins uitwerkt – zoals bij de mevrouw die bij het uitwerken van gesprekken een kennis langs hoorde komen – heeft het onderwerp weinig of niets te maken met de ‘oorlog tussen overheden’, en leidt het verhaal de lezer uiteindelijk de doorlopende steeg in met dooddoeners als ‘we zullen het nooit weten’, of ‘de overheden blijven dit ontkennen’. Sommige voorvallen worden redelijk uitgelegd, zoals de affaire DigiNotar, maar die verhalen waren al uitgeschreven langs voordat Modderkolk besloot dat hij zich als onderzoeksjournalist zou gaan verdiepen in spionage, ICT en hacken. Het verband tussen overheden en criminelen wordt gesuggereerd, nog eens gesuggereerd, nog eens gesuggereerd en uiteindelijk ‘bewezen’ vanuit het feit dat de suggestie zo vaak is gedaan. Als Modderkolk op de techniek van het internet en het hacken ingaat, blijkt daaruit dat hij die techniek enkel heeft doorgrond tot op het niveau van metaforen waarmee anderen hem die techniek hebben toegelicht. Om niet nog een keer John le Carré erbij te halen: de avonturenverhalen van Tom Clancy zijn technisch informatiever dan het quasi-avonturenverhaal van Modderkolk. Het bronnenmateriaal dat Modderkolk in zijn literatuurlijst vermeld is van een lachwekkend of – voor wie in de illusie verkeert dat er aan serieuze onderzoeksjournalistiek is gedaan – huiveringwekkend. Er zit geen enkel artikel of boek bij waarop enige redactionele of inhoudelijke controle heeft plaatsgevonden behoudens van de organisatie die het artikel of het boek heeft gepubliceerd.

Waar Modderklok zijn eigen pogingen tot onderzoeksjournalistiek beschrijft, krijg je als lezer kramp in je tenen. Hij reist dan bijvoorbeeld af naar Anapa in Rusland om aan te bellen bij een woonflat waar ene Jevgeni Bogatsjov woont die er naast openbare praktijken als zakenman ook minder openbare praktijken als crimineel en hacker en misschien zelfs wel overheidspion op na houdt. Dat doet hij op pagina 133. Na tien pagina’s vol met wazig-suggestieve verbindingen blijft op pagina 144 dat Bogatsjov niet open heeft gedaan. Maar op de pier van de jachthaven waar een van de kostenbare jachten van Bogatsjov zou liggen, worden er foto’s van Modderkolk gemaakt en een van de personen die daarbij aanwezig is, verklapt: “we kunnen jullie ook meteen doodmaken”. Daarbij een grijns. Vervolgens verneemt de lezer dat Bogatsjov niet echt woont bij de woonvilla waar op pagina 133 is aangebeld, maar ergens anders, op de 14e verdieping van een flat. Bij die flat is er geen bel. Dus klopt onze onderzoekjournalist met zijn knokkels op de houten door waardoor een echo door de gang wordt veroorzaakt. Dat is op pagina 145. Komen er weer een paar pagina’s met wazig-suggestieve verbindingen. Op pagina 150 meldt Modderkolk dat Bogatsjov die echo niet gehoord heeft of die heeft genegeerd. Onze onderzoekjournalist klopt Daarom nogmaals. Maar weer tevergeefs. Dan gaat hij maar naar een villa in Anapa die op naam staat van het vastgoedbedrijf van de oude advocaat van Bogatsjov. Daar schijnt hij al eerder telefonisch contact mee heeft gehad en die heeft toen verteld dat die Bogatsjov al twee jaar niet gezien heeft in Anapa. Voor de zekerheid gaat onze onderzoeksjournalist echter toch nog even langs die villa. Er zijn daar honden die onophoudelijk blaffen, en de bel klinkt schel. Er wordt niet opengedaan dan nadat onze onderzoeker een paar keer heeft aangebeld en de jongeman die opendoet blijkt bovendien slaperig. De jongeman zegt vriendelijk dat hij de naam van de advocaat niet kent. Daarna vraagt onze onderzoeker naar Bogatsjov. Dan wordt de toon minder vriendelijk en slaat de jongeman met een ferm ‘nee’ deur dicht.

Stelt u zich voor dat bij u iemand aanbelt met de vraag of op het adres waar u de deur opendoet Geert-Jan Knoops woont. Die naam zegt u niets, dus u zegt vriendelijk ‘nee’. Dan vraagt die vreemdeling aan u of u Willem Holleeder kent…

In de pagina’s met wazige suggestievigheden na het eerste aanbellen in Anapa verneemt de lezer dat Modderkolk ook een keer samen met een Volkskrant-collega op een regenachtige dag op de stoep heeft gestaan bij toenmalig hoof van de AIVD wijlen Gerard Bouman. Die deed ook niet open.

Hilarisch zijn ook de pogingen van Modderkolk om aan de lezer duidelijk te maken dat hij zelf door overheden in de gaten gehouden wordt. Zo is er iets mis met zijn modem. Dat schijnt – aldus het gerucht – een indicatie te zijn van hackactiviteiten. Echter, Modderkolk heeft de eerste keer dat zijn modem raar deed –  in 2013 – het ding gereset waarmee alle sporen van een eventuele hack zijn verdwenen. De tweede keer dat zijn modem raar doet – in 2017 – is hij slimmer. Hij gaat ermee naar een expert. Die expert meldt hem evenwel dat alleen de fabrikant volledige toegang tot de modem kan krijgen. Of een bezoek aan de fabrikant iets zou hebben opgeleverd, blijft in het ongewisse want Modderkolk heeft de fabrikant van de modem – of, nee, het was een router, laat ik hier vooral geen technische slordigheden laten liggen – niet benaderd.

 Modderkolk is zo jong dat hij het boek vast nooit heeft gelezen, en misschien heeft hij de film ook nooit gezien, maar de passages waarin Modderkolk suggereert dat hij door overheden of criminelen in de gaten wordt gehouden, deed mij denken aan de scenes in All The President’s Men waarin Woodward & Bernstein denken dat ze in de gaten gehouden worden, en misschien zelfs hun leven in gevaar loopt. Daarvan is nooit iets gebleken. Het zou ook best wel raar zijn geweest, want Woodward & Bernstein speelden alles bijeen genomen slechts bescheiden bijrollen in de Watergate-affaire, en zelfs latere Republikeinse presidenten hebben geen enkele poging gedaan tot represailles jegens hen.

Het schijnt dat Hugo Logtenberg – die ik ook niet kende voordat ik hem tijdens dit gekrabbel opzocht op google, hij schrijft boeken over voetbaltrainers – voor Modderkolk als “journalistiek kompas van onschatbare waarde” (p. 256) heeft gefungeerd door hem op het hart te drukken “Details, Huib, let op de details!”. Dat advies heeft Modderkolk ter harte genomen. Als Aart Jochem – teamleider bij een overheidsdienst met een onmogelijke naam – op 31 augustus 2011 het gevoel heeft dat de zaken hem ontglippen overkomt hem dat als hij tijdens het bezoek aan de school van een van zijn kinderen voor een ouderavond (pagina 33), en nadat minister Donner op een persconferentie over DigiNotar geen kletskoek heeft uitgekraamd zakt Jochem moe weg in een taxi die hem naar Alphen aan de Rijn brengt (pagina 45). De vader van  Edwin Robbe deelt bij de koffie spritskoeken uiten (pagina 85). De kudde van Omar Mohammud Ali telt zo’n veertig schapen en geiten en hij heeft een vriend die Nuur Osman Gurey heet (pagina 104). René Pluijmers weet dat rechters niet weten hoe een telefoonmast werkt maar dankzij zijn kennis daarvan is een verdachte van een schietpartij vrijgesproken (pagina 111). Het internet is enorm aan het groeien (pagina 120). In Rusland eet Modderkolk een clubsandwich tonijn (pagina 138).

Nu zouden veel van dit soort overbodige stukjes informatie een functie kunnen hebben bij het ontbreken van de spanningspoging of bij het verhogen van authenticiteit. Voor mij persoonlijk had dat niet gehoeven. Ik heb The Conversation (1974) gezien, en Wargames (1983) en al die andere films over de thema’s die Modderkolk aansnijdt, dus spanning wekt het verhaal van Modderkolk bij mij niet meer op. En als kind heb ik ervaren dat als je tegen je moeder wil liegen over een grotigheid je daarbij allerlei waarheden over kleinigheden moet vertellen. Niet dat je leugen niet onderkend wordt, maar om die leugen te ontrafelen moet je moeder dan toch door de hele berg van waarheden heenploegen, en zij heeft wel wat beters te doen. Maar, goed, Modderkolk heeft zijn boek geschreven voor kijkers van De Wereld Draait Door, en die kijken niet naar platte Hollywood-films en hebben vast ook nooit tegen hun ouders gelogen. Een paar overtollige feitenfrutseltjes zij Modderkolk gegund, en dat Joost Nijsen er niets aan gedaan heeft, dat is te begrijpen want die vond dat het boek van Modderkolk sowieso al in 2018 in de boekhandel had moeten liggen in plaats van in 2019.

Die zucht tot authenticiteit levert zo nu en dan boeiende inkijkjes op: “Hoewel het [MIVD-baas Pieter Bindt en AIVD-baas Rob Betholee. Dr. WW] generatiegenoten zijn – beiden geboren in de jaren vijftig – schuren de karakters van Bindt en Bertholee regelmatig.” (pagina 156) Als Modderkolk ooit een schoolplein heeft bezocht, zou hij weten dat karakters vooral bij generatiegenoten fors kunnen schuren.

Op pagina 153 introduceert Modderkolk een dame die wordt aangeduid met “N.” Waarom deze dame enkel met een initiaal aangeduid moet worden is, niet duidelijk. Ondertussen komen we al meteen op pagina 153 veel over deze dame te weten:

  • In 2013 is ze 53 jaar
  • In 2013 leidt ze het “Rusland en China-team” bij de AIVD
  • Ze is een carrièrevrouw die als vertaler is begonnen, daarna bureaufuncties kreeg en een paar keer is uitgezonden om zich daarna te specialiseren in contraspionage.
  • Ze is een zakelijke leider, risicomijdend, afwachtend en gericht op de inhoud, en ze vindt de privébesognes van collega’s niet interessant.

Met deze informatie weten insiders vast wie met “N.” bedoeld is. Outsiders weten dat waarschijnlijk niet maar die zijn er waarschijnlijk ook niet in geinteresseerd of “N.” – die in het verhaal van Modderkolk slechts een piepklein bijrolletje speelt – ze gaat in op een informatieverzoek van de Amerikanen – nu wel of niet een aardige collega is. Toch heeft Modderkolk nog extra informatie over “N.”:

  • Ze is afkomstig uit een katholieke familie. (pagina 156)
  • Ze verwart de afkorting APR – die staat voor Advanced Persistent Threat – soms met ATP, de internationale benaming voor de club van proftennissers (pagina 157).

Omdat die informatie outsiders niets kan zeggen, moet die informatie bedoeld zijn voor oud-collega’s van N. voor wie de informatie op pagina 153 nog genoeg was.

Op pagina 161 komt N. nog eens langs. Daarbij wordt geen nieuwe informatie gegeven over het verzoek van de Amerikanen. Maar het biedt Modderkolk de gelegenheid te zeggen dat de CIA-man die in Nederland de contacten met de AIVD onderhoudt “met zijn smalle hoofd, grijzige haar, brilletje en ruimvallend pak […] zo de ambtenaar uit de televisieserie Flodder had kunnen zijn. O, en op pagina 171 meldt Modderkolk dat N. te intenties en gedragingen van Rusland nauwlettend probeert te volgen.

Het boek van Modderkolk is dus eigenlijk een jaar of twee te vroeg in de boekhandel beland. Er had eerst nog eens serieus naar de inhoud, de vertelstijl en de stilistiek moeten worden gekeken.

Ondertussen is de schokkende boodschap van Modderkolk niet schokkend en ook geen boodschap. Wie het tot 2019 ontgaan was dat er op het internet rare en onfrisse zaken plaatsgrijpen en dat overheden elkaar met allerlei technische middelen bespioneren en dat het begrip ‘privacy’ en anachronisme zou zijn als het ooit in enig tijdsgewricht betekenisvol zou zijn geweest, is of imbeciel of is na 2018 geboren.

Met vriendelijke groet,

Dr. W.W

P.S. In een reactie op deze leesreflectie heeft de auteur van het boek er – terecht – op gewezen dat in het nawoord wordt toegelicht waarom in een aantal gevallen initialen zijn gebruikt.