Kabinetsbeleid covid-19 effectief? deel 2

In DEEL 1 is duidelijk geworden waarom à priori tot de conclusie kan worden gekomen dat de wetenschappers en de wetenschap als collectief nog niet ‘weet’ of kudde-immuniteit zich bij Sars-Cov-2 kan voordoen. Is het, gegeven deze bijna peilloze onwetendheid, voor een kabinet onmogelijk om geïnformeerd tot handelen over te gaan? Het antwoord is ‘misschien’.

De wijze waarop het kabinet tot dusver heeft proberen te handelen, is niet bijster consistent. Het kabinet zegt zich te baseren op de visie van deskundigen, daarmee doelend op het RIVM.

Als het RIVM aanvankelijk het kabinet heeft geadviseerd een fase 1, INDAMMEN, in te gaan, en twee weken later heeft geadviseerd fase 2, MITIGEREN, in te gaan, dan zou je als onafhankelijk toeschouwer kunnen concluderen dat de adviseurs bij het RIVM twee geleden voor het eerst kennis hebben genomen van de theorie van kudde-immuniteit.

Binnen de theorie van kudde-immuniteit ga je niet eerst twee weken proberen om een dreigende epidemie met mogelijk zeer ernstige gevolgen te onderscheppen door forensisch onderzoek met het handjevol patiënten dat toevallig in de radar van de medische stand is gekomen, zeker niet als je vanwege data uit andere landen (China, Italië) al weet dat het virus zich niet laat indammen.

Het feit dat het RIVM zelf aan het zwabberen lijkt te zijn geweest tussen verschillende theorieën, holt het gezag van het RIVM enigszins uit. In deze fase – nu iedereen weet wat het RIVM drie weken geleden al had moeten weten – is deze bedenking echter academisch of, misschien, een punt van orde voor een latere parlementaire enquête naar het gezwabber.

De vraag die nu op tafel ligt, is of de theorie van kudde-immuniteit – onder de aanname dat die JUIST is – een handelingsrichtlijn voor het kabinet biedt.

Analytisch (of a priori) lijkt het antwoord ‘nee’ te moeten zijn. Gegeven de onmogelijkheid om, tijdens het opbouwen van kudde-immuniteit, risicogroepen hermetisch af te grendelen van een virus, is de handelingsrichtlijn die uit de theorie getrokken zou kunnen worden niet consistent:

1. Om kudde-immuniteit op te bouwen zouden er maatregelen moeten worden genomen waardoor het virus zich kan verspreiden over de inwoners die niet tot de risicogroep behoren terwijl het virus de risicogroep niet mag bereiken. Dit impliceert dat voorzorgsmaatregelen die ‘voor zich’ spreken (zoals handen wassen, geen handen schudden, geen massale bijeenkomsten), NIET strikt mogen worden uitgevoerd. Strikte toepassing zou – indien succesvol – tot gevolg hebben dat de groep van immune burgers zeer klein blijft. Maar hoe implementeer je op maatschappelijk niveau een regel waarvan het de bedoeling is dat die niet strikt wordt gevolgd?

2. Terwijl nog niet bekend is of de theorie van kudde-immuniteit opgaat voor Sars-Cov-2, is al wel bekend dat deze opgaat voor veel andere virussen. Als de overheid consistente maatregelen kan abstraheren vanuit de theorie binnen de aanname dat de theorie opgaat voor Sars-Cov-2, en dat meent te moeten doen omdat dit virus fatale gevolgen kan hebben, dan zou de overheid dezelfde maatregelen moeten nemen voor het bestrijden van virussen die ook fatale gevolgen kunnen hebben maar waarvan al bekend is dat de theorie van kudde-immuniteit daarvoor opgaat, zoals de ‘gewone’ griep. De ‘gewone’ griep heeft jaarlijks in Nederland 2.000 tot 3.000 keer een fataal gevolg. Bij een consistente toepassing van een vermeend consistente verzameling Sars-Cov-2-maatregelen, zouden we doorheen het jaar – of althans tussen de maanden oktober en april – elkaar geen handen moeten geven, geen massale bijeenkomsten moeten houden, enzovoorts.

Quasi-technisch uitgedrukt: de handelingsrichtlijnen die uit de theorie van kudde-immuniteit geabstraheerd zouden kunnen worden, lijden zowel aan inconsistentie in de eerste graad als aan inconsistentie in de tweede graad. Voor de lezers die het minder technisch willen uitdrukken: Immanuel Kant zou uit de theorie van kudde-immuniteit geen categorische imperatieven kunnen afleiden.

Voor zover een overheid met de theorie van kudde-immuniteit iets kan, moeten de beleidslijnen binnen een utilistisch kader getrokken worden. Het utilisme is, zoals bekend, intrinsiek inconsistent, en dan is het in de tweede graad consistent om daar inconsistente maatregelen uit te peuren.

Het kabinet van meneer Rutte volgt die utilistische lijn. De rare sprongen van het kabinet rond het al dan niet sluiten van scholen, laten zich daarmee verklaren. Binnen de theorie van kudde-immuniteit is het nuttig als leerlingen en docenten elkaar op een school besmetten. De meeste leerlingen en docenten behoren niet tot de risicogroepen, besmettingen op school zullen door de bank genomen dus geen ernstige gevolgen hebben, althans gevolgen die niet ernstiger zijn dan die van een gewone groep. De gevolgen van besmettingen binnen deze groep zijn enkel ernstig als leerlingen en docenten vervolgens zwakke grootouders gaan bezoeken. Utilistisch laat zich vervolgens ‘uitrekenen’ dat leerlingen vooral niet thuis moeten blijven omdat grootouders vaak oppassen en dat de kans op fatale gevolgen op een grotere, net niet meer maatschappelijk acceptabel schaal zou doen toenemen.

We kunnen die utilistische benadering cynisch noemen – zeker omdat de heer Rutte de calculatie die binnen het RIVM gemaakt is, vorige week niet gedeeld heeft met de bevolking en ook in zijn toespraak tot de natie van gisteren niet expliciet heeft gemaakt – maar doorheen alle bedenkingen bij de theorie van kudde-immuniteit en de gammel-zwabberende toepassing daarvan door het kabinet, is er wel een krachtig argument te geven voor deze benadering.

Immers, er is geen goed alternatief. ‘Indammen’ door daadwerkelijk te proberen elke CoVid-19-patient uit de bevolking te isoleren van de rest van de bevolking, zoals men in Italië, Spanje en Frankrijk probeert te doen, is alleen een optie in Hollywood-scenario’s en in landen die de evolutie van de democratie zoals die zich in West-Europa heeft voltrokken hebben overgeslagen.

Het is dus in theorie mogelijk dat het Nederlandse kabinet op advies van het zwalkende RIVM, vanuit peilloze onwetendheid, met inconsistente maatregelen toevalligerwijs precies de plank raakt.

Dr. W.W.