Uw aanval op de natiestaat

Geachte heer Baudet,  

Met aanvankelijke tegenzin doch gaandeweg groeiende belangstelling en plezier heb ik uw boek “Aanval op de natiestaat” gelezen.#  

De aanvankelijke tegenzin zal ingegeven zijn door de werkhypothese dat u in uw boek de volgende redenering zou gaan opzetten:  

(1)   Een democratie kan alleen slagen in een natiestaat;  

(2)   Een natiestaat vereist soevereiniteit over een grondgebied en een bevolking met een gedeelde cultuur.  

(3)   De natiestaat wordt aangeknaagd door supranationale organisaties als de EU en door de ideologie van het multiculturalisme.  

Dus:  

(4)   We moeten de natiestaat gaan redden (= afschaffen van die supranationale clubs en stoppen met dat multiculturalisme).  

Ik vind deze redenering niet zeer boeiend, niet alleen of niet zozeer omdat u in uw electorale uitspraken het multiculturalisme verengt tot acceptatie van de islamitische cultuur, maar ook en vooral omdat de democratie, indien in gevaar, niet de moeite van het redden waard is. Als regeringsvorm is het alleen adequaat in de ‘onderhoudsfase’. Als er geen problemen opgelost hoeven te worden, kan een land zich een democratie waarin iedereen meekabaalt permitteren. Ligt er een probleem op tafel – zij het een bankencrisis, zij het een overstroming, zij het een Brexit, zij het klimaatopwarming – dan moeten er spijkers met koppen geslagen worden door deskundigen die hun tijd niet hoeven te verspillen met ‘het creëren van een maatschappelijk draagvlak’. Voorts is inmiddels door China het empirisch bewijs geleverd voor de stelling dat een samenleving prima kan floreren zonder democratische parafernalia.  

Ik zag er dus niet naar uit mij in uw boek te verdiepen. Doch de oproep van Rob Schouten in Trouw van 23 maart 2019 en de bijna simultane oproep van de voorzitter van het Vlaams Blok/Vlaams Belang via de Vlaamse televisie hebben mij ertoe overgehaald uw boek toch maar door bol.com te laten bezorgen.  

De werkhypothese werd min of meer bevestigd door het Woord vooraf. Om die reden vond ik het Woord vooraf niet zeer lezenswaardig. Dat was even doorbijten.  

Edoch, deel I van uw boek, waarin u een beknopte geschiedenis geeft van de opkomst van nationale staten, het begrip soevereiniteit bespreekt en aansluiting zoekt en vindt bij de standaarddefinitie van een natie, vond ik interessant leesvoer. Dat er, sinds dat ik als student geschiedenis de ontwikkeling van de nationale staten moest bestuderen, geen nieuwe inzichten dienaangaande zijn gerezen, was natuurlijk ook buitengewoon geruststellend. Je hoeft kennelijk niet alle vakbladen en vakpublicaties over de moderne geschiedenis bij te houden om op de hoogte te blijven van de ‘state of the art’.  

Ook de eerste twee hoofdstukken van deel II van uw boek, over supranationale gerechtshoven en supranationale organisaties, ervoer ik als interessante lectuur. u kon in 2012 nog geen gebruik maken van het materiaal dat de soevereiniteitsdiscussie rond de Brexit zou opleveren, en het supranationale aspect van de WTO en de VN-Veiligheidsraad is zeer beperkt. Daardoor geeft de volgorde van hoofdstukken het effect van een anticlimax. Maar een tekst die als proefschrift is geschreven, hoeft niet spannend te zijn, en het punt dat u wilt maken – dat de soevereiniteit van natiestaten wordt doorbroken door internationale verbanden waarin de natiestaten niet als ‘partijen’ maar als ‘leden’ figureren – heeft u in deze hoofdstukken afdoende gescoord.  

Het Woord vooraf en enkele ietwat flauwe kwinkslagen daargelaten, kon ik hoofdstuk 1 tot en met 5 lezen zonder de impuls te voelen u voor een ‘racist’ of ‘xenofoob’ uit te maken.  Weliswaar heeft u aangekondigd dat de beschrijving van de supranationale organisaties op zichzelf zou laten zien dat de natiestaat wordt aangeknaagd, maar het is mogelijk de informatie in deze hoofdstukken te absorberen zonder het Internationaal Strafhof of de EU te associëren met het beeld van een rat die de natiestaten aan het doorknagen is. De lezer zou u na afronding van hoofdstuk 5 mentaal toe kunnen spreken met: “Fijn, meneer Baudet, dat u heeft uitgelegd dat er een spanning is tussen nationale soevereiniteit en supranationale organisaties, en ook dat u heeft uitgelegd dat vanaf de eerste stappen naar de EU, en eigenlijk al veel eerder, in de tijd van Kant en ook al een eeuw of wat daarvoor, denkers en doeners die spanning gezien hebben. Mijn dank ervoor dat u dit zo goed hebt uitgelegd. Maar dat die spanning er is, impliceert niet dat die niet beheersbaar is. Het impliceert zelfs niet dat de spanning, zo die onbeheersbaar mocht blijken, een slechte zaak is. Misschien houdt die spanning juist de betrokkenen in de verschillende machtsgremia scherp, en komen beslissingen op de onderscheiden niveaus meer weloverwogen tot stand.”  

De lezer die u op deze wijze mentaal toespreekt, weet wel dat u enkel door de spanning te schetsen een zeer kwalijke zaak heeft benoemd, maar de lezer kan bijna alles wat u tot hier hebt neergepend beamen zonder daarin mee te gaan.  

In deel III van uw boek geeft uw overwegingen voor de stelling dat de spanning op zichzelf een kwalijke zaak is. In hoofdstuk 7 en hoofdstuk 9 betoogt u dat de democratie niet zonder een wij-gevoel kan, dat het wij-gevoel niet in stand kan blijven als het rechtsgevoel van burgers wordt aangetast, en dat het rechtsgevoel van burgers wordt aangetast als de wet niet voor iedereen op dezelfde wijze wordt toegepast.% De overwegingen die u daar geeft, kunnen echter niet op zichzelf staan. Het is immers denkbaar dat het rechtsgevoel van burgers niet wordt aangetast als de ‘inbreuken’ die supranationale organisaties op de nationale soevereiniteit plegen voor alle burgers van een natiestaat dezelfde consequenties hebben. Als de supranationale organisaties zich bij het plegen van inbreuken op de nationale soevereiniteit bovendien laten leiden door normen en waarden die althans in zodanige mate universeel zijn dat ze door de meeste burgers van de natiestaat gedeeld worden, kunnen de burgers van de natiestaat – als ze dat willen – besluiten dat de beslissingen van de supranationale organisaties geen inbreuken zijn op nationale soevereiniteit maar bevestigingen zijn van de volkswil, de Leitkultur, die een noodzakelijke voorwaarde is voor de natiestaat. Het Internationale Strafhof, de gerechtshoven van de EU zouden vanuit het perspectief van de Leitkultur kunnen fungeren als een extra verzekering op de nakoming van de normen en waarden van de burgers van de natiestaat. Dat was historisch en feitelijk oog het oogmerk achter sommige supranationale organisaties: de EU had niet tot doel om de lidstaten eens even te vertellen hoe het allemaal moest, maar om de normen en waarden van de lidstaten supranationaal te borgen.  

Voor zover uw boek de redenering hierboven op tafel wilt leggen, ontbreekt er dus nog iets.   

Nu zit er tussen hoofdstuk 7 en hoofdstuk 9 een hoofdstuk 8. Maar dat hoofdstuk vult het gat in de redenering niet op. Hoofdstuk 8 gaat in op de redenen of drogredenen van diegenen die geen probleem hebben met supranationale organisaties of daar zelfs voordelen in zien. Dat hoofdstuk is bij vlagen leesbaar en, inderdaad, oorlogen die door historici veelal toegeschreven worden aan opkomend nationalisme kunnen ook toegeschreven worden aan de onderdrukking van opkomend nationalisme. Het nationalisme kan in een oorlog behalve dader ook slachtoffer zijn. Dat mensen soms aanslaan bij enkel de term ‘nationalisme’ mag bekritiseerd worden. Al doet dat natuurlijk niet af aan het feit dat het nationalisme in de meeste gewapende conflicten sinds de Napoleontische tijd de dubbelrol van dader en slachtoffer gespeeld heeft. Ook als de poging die u in hoofdstuk 8 onderneemt om nationalisme te ontdoen van de reputatie van politiek incorrect te zijn, slaagt, heeft u nog niet uitgelegd waarom supranationale organisaties een bedreiging zijn van de natiestaat.  

In uw brein is het gat reeds gedicht door hoofdstuk 6 waarin u het multiculturalisme hebt geïntroduceerd als bedreiging van de natiestaat. U nuanceert daar keurig en politiek correct. Voor zover multiculturalisme betrekking heeft op kookgewoontes en dergelijke, wordt de natiestaat er niet door bedreigd. Maar als multiculturalisme staat voor de doctrine dat alle culturen gelijk zijn, en dat wetgevers en rechters die gelijkheid van culturen moeten meenemen in wetten en uitspraken, dan gaat het mis. Dan is er sprake van rechtspluralisme. Rechtspluralisme houdt in dat de wet niet voor iedereen gelijk is. Dat ondermijnt het rechtsgevoel van de burgers, en dat ondermijnt de natiestaat. Burgers herkennen zich niet meer in de overheid, en dan brokkelt de democratie af.  

Analytisch is hoofdstuk 6 de draagbalk onder uw redenering. Maar de draagbalk moet zeer flexibel zijn, wil die niet onmiddellijk breken onder de last.   

1.      Doorheen het boek worden supranationale organisaties gepresenteerd als een bedreiging van de natiestaat. Dat is wonderlijk. Burgers die vinden dat de natiestaat niet alle burgers gelijk behandelt, kunnen mogelijk verhaal halen bij de supranationale organisatie. Terwijl rechtspluralisme binnen de natiestaat de natiestaat aanknaagt, zou een supranationale organisatie een middel kunnen zijn bij het beperken van die schade.   

2.      Hier zou u kunnen inbrengen dat het nadelige effect van supranationale organisaties op natiestaten indirect is. Doordat internationale organisaties inbreuk plegen op de soevereiniteit van nationale staten, tasten deze organisaties de weerbaarheid van natiestaten aan tegen de ideologie van het multiculturalisme. Dat betoog kan echter alleen slagen als de normen en waarden van de supranationale organisaties, of de wijze waarop supranationale organisaties deze normen en waarden toepassen, op cruciale punten afwijkt van de normen en waarden – of de toepassing van normen en waarden – in de natiestaat. In het geval van de EU en althans de harde kern van lidstaten van de EU is dat niet waarschijnlijk. De EU en de meeste lidstaten hanteren normen en waarden die voortkomen uit de ‘christelijk-humanistische’ traditie met de toevoeging van de rationalistische idealen van de Verlichting.  

3.      Ook als er een spanning is tussen de normen en waarden van de supranationale organisatie enerzijds en anderzijds die van de natiestaten, kan premisse (3) van de redenering alleen opgaan als de supranationale organisatie significant verder gaan in het volgen van de ideologie van het multiculturalisme dan de natiestaten. Concreet: waar de lidstaten van de EU de neiging hebben om de ene cultuur boven de andere te stellen, zou de EU de neiging moeten hebben alle culturen aan elkaar gelijk te stellen. Daarvan lijkt geen sprake te zijn. De EU is noch de bron van de ideologie van het multiculturalisme noch de belangrijkste verdediger daarvan. De idee dat alle culturen gelijk zijn of – milder – dat we voorzichtig moeten zijn om vanuit de ene cultuur commentaar te leveren op de andere cultuur, is ingebakken in de westerse intellectuele cultuur. Dat de westerse cultuur ook gekenmerkt wordt door chauvinistische arrogantie en zelfgenoegzame uitbuiting (“white man’s burden”, exploitatie van slaven, enzovoorts), is een paradox, maar het is een paradox die niet door een andere cultuur in de westerse cultuur is ingebracht. Dat westerse intellectuelen hun idealen na vijfentwintig eeuwen nog steeds niet enigermate coherent op een rij hebben weten te zetten, mag geen excuus ervoor zijn om idealen als godsdienstvrijheid ineens selectief te gaan toepassen als het aantal ingezetenen dat niet alleen nog religieus is maar er een andere religie op na houdt dan de religies die de inzet waren van de godsdienstoorlogen in de moderne tijd, toeneemt.  

4.      Daargelaten de bovenstaande ditjes en datjes komt uw redenering enkel van de grond als uw analyse van rechtspluralisme deugdelijk is. Die is echter ondeugdelijk.  

In tegenstelling tot de suggestie die u in hoofdstuk 6 is rechtspluralisme intrinsiek aan elk rechtssysteem. Wetten en regels zijn – dat weet u nog wel – nooit zo exact dat ze machinaal toegepast kunnen worden. Er komt altijd interpretatie aan te pas, en er spelen ook altijd zachte criteria als redelijkheid en billijkheid een rol. Dat de wet ‘in gelijke gevallen op dezelfde wijze wordt toegepast’, is een ideaal. Het is geen SMART-criterium. Bij het opstellen van de wet ‘weet’ de wetgever dat dat ideaal utopisch is, zoals Kantianen ook wel weten dat de universaliseerbaarheid van de categorische imperatief contextgevoelig is. De wetgever weet dat de ene burger bestraft zal worden voor iets waarvoor de andere burger onbestraft zal blijven. Soms maakt de wetgever bij het opstellen van een wet expliciet een keuze. Er staat dan in de wet zelf dat die alleen van toepassing is op een bepaalde groep burgers, bijvoorbeeld studenten jonger dan 27 jaar, of ouderen boven de 67. Naast een leeftijdscriterium kunnen andere criteria gebruikt worden, inclusief geslacht, godsdienst, seksuele voorkeur, inkomen, mate waarin werkzaamheden zelfstandig worden uitgevoerd, diploma’s die men behaald heeft, enzovoorts. In principe is er geen enkele grens gesteld aan de criteria die de wetgever kan gebruiken om binnen een wet onderscheid te maken tussen groepen. Omdat we in Nederland geen grondwettelijk hof hebben (wat u een goede zaak schijnt te vinden) is de wetgever niet onderworpen aan enig toezicht op de mate waarin een wet discriminatoir is. Maar vaak laat de wetgever het discriminatoir aspect van een wet impliciet. De wetgever vertrouwt er dan op – al dan niet uitgeschreven in de Memorie van Toelichting – dat de uitvoerende macht en de rechterlijke macht in specifieke casus die elementen mee zullen laten wegen die redelijkerwijs mee zouden moeten wegen.  

Laten we nu eens naar het voorbeeld kijken waarmee u uw aanklacht tegen rechtspluralisme begint: de mevrouw die in discussie geraakt met de uitkeringsinstantie omdat zij vanuit geloofsovertuigingen een hoofddoek wil dragen en vanuit geloofsovertuigingen niet wil meewerken aan de verkoop van loten (pagina 243 e.v.). Dat de rechter oordeelde dat de uitkeringsinstantie de uitkering niet mocht intrekken, presenteert u als een voorbeeld van rechtspluralisme: waar andere uitkeringsgerechtigden de baan als lotenverkoper hadden moeten accepteren – en bij weigering de uitkering hadden verloren -, hoeft de vrouw dat niet vanwege haar godsdienst, en daarmee krijgt de vrouw vanwege haar godsdienst een andere behandeling dan mensen die een andere of geen godsdienst aanhangen.  

Uit het voorbeeld blijkt dat u onvoldoende zicht hebt op de overwegingen die de wetgever aan uitkeringsinstanties toestaat. Dat een uitkeringsinstantie – of, in geval van een geschil, de rechter – rekening houdt met de specifieke omstandigheden en de specifieke kenmerken van een uitkeringsgerechtigden, is niet alleen staande praktijk maar die praktijk is ook beoogd. Zo zal een uitkeringsinstantie er geen punt van maken als iemand die slechthorend is, een functie in een fabriek met veel omgevingslawaai weigert te aanvaarden, als iemand die zwaar obese is liever niet wil werken in een suikerfabriek, als iemand die vindt dat mensen niet moeten vloeken aarzelt bij het aannemen van een baan als buschauffeur, als een vrouw die in haar jeugd verkracht is niet wil werken in een seksshop, en als een jongeman die meester in de rechten is en is gepromoveerd op een proefschrift waarin de aanval op de natiestaat wordt geïllustreerd met ogenschijnlijke voorkeursbehandeling voor moslims inbrengt dat hij misschien beter niet kan gaan werken als conciërge in een moskee. Toegegeven, her en der zijn uitkeringsinstanties bezig met het inruilen van redelijkheid en billijkheid voor protocollaire zuiverheid waardoor sommige uitkeringsgerechtigden in strijd met wat het EHRM zou willen, worden ingezet als slaven van de gemeentereiniging, maar dat is een element van de voortdurende golfbeweging in de sociale zekerheid. Als we niet kunnen controleren of Poolse werklozen die terug zijn gegaan naar Polen terecht een uitkering ontvangen, moet dat elders met ferme taal en harde acties gecompenseerd worden.   

Dat een uitkeringsinstantie, of een rechter, rekening houdt met de religieuze overtuigingen van een uitkeringsgerechtigden, is binnen het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel normaal, en zelfs voorgeschreven. Dat kan benoemd worden als ‘rechtspluralisme’, en dat predicaat is analytisch niet onjuist. Maar deze vorm van rechtspluralisme tast de rechtsstaat niet aan. Het kan wel het rechtsgevoel van burgers aantasten, bijvoorbeeld doordat iemand met een meester- EN een doctorstitel het fenomeen rechtspluralisme gaat illustreren met een voorbeeld dat tegelijkertijd de ideologie van het multiculturalisme lijkt te illustreren.  

U heeft – het is trieststemmend dat uw scriptiebegeleiders en promotoren u daar niet op gewezen hebben – vooralsnog onvoldoende kennis van en inzicht in de rechtsstaat om daar een boek over te kunnen schrijven.  

Met vriendelijke groet,  

Dr. W.W.  

# Dertiende druk, 2019. Voor lezing van uw boek kon ik slechts het equivalent van 1 dagdeel vrijmaken. U zult het mij niet kwalijk nemen dat ik uw boek niet van beginletter tot eindletter gelezen heb, en het notenapparaat en dergelijke niet heb gecontroleerd. Mocht er nog eens een gewijzigde, gecorrigeerde druk komen: volgens het register figureert Roger Scruton vier keer in het boek, op de pagina’s 240, 296, 305 en 392, doch op pagina 392 is hij evenwel onvindbaar. Daar zal pagina 391 bedoeld zijn. Voorts komt Roger Scruton voor op de pagina’s 384, 385, 409, 412, 413, 415, 418, en 423, terwijl hij op pagina 461 is opgenomen in de dankbetuiging. Van de 9 titels die in de bibliografie van Roger Scruton zijn opgenomen, zijn er drie ‘verwijzingsloos’ .