Rekensommen

Uit het onderzoek dat Companen vorig jaar heeft uitgevoerd naar de woonwensen blijkt dat er in Vught een theoretisch tekort is aan huurwoningen van 900. In de discussie rond de Woonvisie wordt dat theoretisch tekort omlaag gecijferd naar 300. Daarna stelt de Woonvisie dat dat tekort zal kunnen worden weggewerkt door de ‘doorstroming’ te bevorderen en het bouwen van 150 woningen in de sociale huursector.

Nederlanders zijn volgens internationale normen nog steeds goed in rekenen. Die fameuze rekenkunst lijkt niet door alle politici beheerst te worden.

Hoe wordt in de Woonvisie een theoretisch tekort van 900 naar 300 gebracht?

Stap 1: kijk of er mensen zijn die qua inkomen in aanmerking zouden komen voor een sociale huurwoning en nu in een koopwoning wonen. In Vught kun je er daarvan volgens Companen 500 vinden. Besluit nu dat die mensen helemaal gelukkig zijn waar ze nu zitten (geen betalingsproblemen hebben met de hypotheek enzovoorts), en trek dat aantal van het theoretisch tekort af: è 900 wordt 400

Stap 2: Neem de Woningwet 2015 ter hand. In zo’n wettekst staan allerlei ingewikkelde passages die dus ook door bijna niemand worden gelezen. Je kunt zo’n wettekst dan dus ook vrijelijk interpreteren zonder dat iemand er iets van gaat zeggen. Zo staat er in de Woningwet 2015 een passage over dat woningcorporaties moeten gaan doen aan ‘passend toewijzen’ en in dat kader ten minste 95% van de woningen moeten gaan toewijzen aan bepaalde inkomensgroepen. Die passage – die bedoeld is als prestatiedoel voor woningcorporaties – bouw je dan om tot taakstelling voor gemeentes en daarbij laat je ‘ten minste’ weg. Dan staat er ineens dat de Gemeente bij het organiseren van woningen slechts voor 95% van de doelgroep woningen moet regelen. Omdat er in Vught 1500 mensen zijn die tot de primaire doelgroep behoren, kun je het theoretisch tekort dan nog wat verder omlaag cijferen. In de Woonvisie wordt 95% van 1500 gemakshalve gesteld op 100: è 400 wordt 300.

Het probleem met deze pseudo-rekenarij is niet dat het leidt tot de ‘verkeerde’ uitkomst. Wat hier de ‘goede’ uitkomst is weet niemand. En dat is het probleem met deze pseudo-rekenarij: het suggereert dat we de goede uitkomst te pakken hebben, en dat we daarmee beleid kunnen gaan bakken.

Ooit, heel lang geleden, voor het tijdperk van ‘Big Data’, wisten bestuurders dat je bij het maken van beleid moest denken vanuit onzekerheden. Tegenwoordig vinden bestuurders het fijner om onzekerheden te vervangen door schijn-zekerheden. Liefst onder verwijzing naar rapporten en wetten die onleesbaar genoeg zijn om niet gelezen te worden.

Als er in Vught nu 500 huishoudens met een laag inkomen in een koopwoning zitten, dan kun je er vrij zeker van zijn dat de woonlasten voor een deel daarvan te zwaar zijn of zullen worden. Daarvoor zou je dan in het vaststellen van beleid een marge inbouwen. Die marge zou gebaseerd moeten zijn op een schatting, dus die is niet exact, maar door een schatting te maken roep je jezelf op later na te gaan hoeveel van deze huishoudens nu daadwerkelijk van de koop- naar de huursector is gegaan. Doe je dat, dan kun je je oorspronkelijke schatting later bijstellen, omhoog of omlaag.

Schattingen kunnen ook de andere kant op gemaakt worden. Als Companen in 2015 heeft ‘berekend’ dat ongeveer 1.500 gezinnen in Vught een laag inkomen hebben, dan kun je als bestuurders een schatting maken over het aantal huishoudens in deze groep dat binnen enkele jaren een hoger inkomen zal zijn gaan verwerven. Dat kan ook, en die schatting kun je later ook prima monitoren.

Uit de discussie rond de Woonvisie blijkt dat nogal wat politici in Vught er de voorkeur aan geven bij het maken van geen schattingen te maken. Ze hebben geen harde cijfers (die heeft niemand) en werken ook niet schattingen die later verfijnd zouden kunnen worden.

Ze doen maar wat.